terug

Aan
de Voorzitter van de Tweede Kamer
der Staten-Generaal
Binnenhof 1 a
2513 AA 'S-GRAVENHAGE




Datum
31 mei 2001
Uw kenmerkOns kenmerk
BEB/HIB/IIB
01026768
Bijlage(n)
1
Onderwerp
beantwoording vragen Algemeen Overleg 26 april 2001

Op 26 april jl. vond een Algemeen Overleg plaats met de vaste Kamercommissie voor Economische Zaken. Op de agenda stonden meerdere onderwerpen, waaronder etnisch ondernemerschap en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Op de tijdens dit overleg gestelde vragen heb ik wegens tijdgebrek niet kunnen reageren. Ik heb daarom toegezegd zulks schriftelijk te doen. In de bijlage treft u mijn antwoorden op de gestelde vragen aan.


(w.g.) drs. G. Ybema
Staatssecretaris van Economische Zaken



BIJLAGE


Antwoorden op de vragen, gesteld tijdens het algemeen overleg op 26 april 2001 van de vaste Kamercommissie voor Economische Zaken met Staatssecretaris Ybema van Economische Zaken.


De heer Blok (VVD) ging in op de enquête inzake maatschappelijk verantwoord ondernemen, waarover in de Ondernemerschapsmonitor winter 200012001 verslag is gedaan. De heer Blok vroeg wat de overheid gaat doen om door bedrijven gesignaleerde knelpunten bij maatschappelijk verantwoord ondernemen (MYO) weg te nemen.

Antwoord:
De knelpunten die in het onderzoek worden gesignaleerd, komen met name voor in het kleinbedrijf. Deze ondernemers noemen een gebrek aan tijd en een te geringe omvang van het bedrijf als belangrijkste knelpunt. Mijn beleid is erop gericht om het ondernemersklimaat in het algemeen te versterken. Dat betekent in de eerste plaats dat belemmeringen moeten worden weggenomen om meer kansen te scheppen voor ondernemerschap. Dit komt de groeimogelijkheden van bedrijven ten goede, wat ook een positief effect zal hebben op deze schaalspecifieke problemen.
Ook het samenwerken met andere bedrijven of overheden kan een oplossing bieden voor de genoemde knelpunten. Daarom financiert EZ momenteel een onderzoek naar verschillende vormen van samenwerking tussen bedrijven onderling en overheden. De resultaten van dit onderzoek, dat wordt gecoördineerd door de VNG, worden deze zomer bekend gemaakt en verspreid. Ik wil in het bijzonder de Kamers van Koophandel betrekken bij het vinden van oplossingen voor gesignaleerde knelpunten.

De heer Blok signaleerde tevens dat gemeenten klagen over te geringe betrokkenheid bij activiteiten in het kader van het grotestedenbeleid (GSB). De vraag is wat EZ gaat doen om hier ruimte voor de gemeenten te creëren. Initiatieven van belanghebbenden zouden in bureaucratie worden gesmoord. Ook hier ziet de heer Blok een rol voor EZ weggelegd.

Antwoord:
EZ is aktief betrokken bij het GSB. In de Memorie van Toelichting op de EZ-begroting van de afgelopen jaren, en ook via de periodieke voortgangsbrieven over het GSB is hiervan aan de Kamer steeds verslag gedaan. Minister Van Boxtel en ik stimuleren ontmoetingen tussen ondernemers, bestuurders, ambtenaren en andere belanghebbenden op stedelijk niveau. Doel is om het stedelijke bedrijfsleven (o.a. via ondernemersorganisaties en netwerken van bedrijven zoals Samenleving & Bedrijf en OPS) aan te moedigen de stedelijke overheid, te benaderen met voorstellen om gezamenlijk problemen aan te pakken.
EZ draagt tot en met 2004 NLG 252 mln bij aan het Investeringsbudget Stedelijke Vernieuwing van VROM, LNV en EZ. Voorts nog NLG 111 mln voor niet-fysieke economische stimuleringsmaatregelen. De steden hebben deze meerjarige budgetten toegewezen gekregen voor de uitvoering van de economische onderdelen van de door henzelf opgestelde ontwikkelingsprogramma's. De hierbij gevolgde aanpak geeft de steden een grote mate van bestedingsvrijheid. De steden zelf zijn nu allereerst aan zet bij de uitwerking en uitvoering van hun programma's.
EZ stimuleert via platformbijeenkomsten met de steden voorts de onderlinge kennisuitwisseling over stadseconomie en de identificatie van nieuwe thema's. Ook vindt er geregeld ambtelijk en bestuurlijk overleg plaats met betrokkenen. De EZ benchmark Gemeentelijk Ondernemingsklimaat maakt onderdeel uit van het GSB. De metingen worden eens in de twee jaar herhaald: eind 2001 volgt de tweede. De benchmark biedt een kapstok aan het lokale bedrijfsleven voor overleg met gemeenten over een ondernemersvriendelijk lokaal beleid.
Specifiek met betrekking tot MYO houdt EZ in samenwerking met de VNG een inventariserend onderzoek naar verschillende vonnen van samenwerking tussen bedrijven en (lokale) overheden op het gebied van MVO. Voor de zomer van 2001 levert dit enerzijds een overzicht op van de in Nederland bestaande samenwerkingsinitiatieven, en anderzijds een aanknopingspunt voor lokale overheden en bedrijfsleven voor verdere samenwerkingsmogelijkheden. Ik heb de lokale bestuurders en het bedrijfsleven uitgenodigd voor een discussie op 3 juli naar aanleiding van deze inventarisatie. Ook mijn collega's van Boxtel en Vliegenthart, wethouder Krikke van Amsterdam, en de heren De Boer van MKB Nederland en Van der Hoeven van Ahold zijn uitgenodigd.
Ik zal de signalen die de heer Blok heeft opgevangen over te weinig betrokkenheid van gemeenten, en over bureaucratische belemmeringen voor het bedrijfsleven, ter sprake brengen in deze discussiebijeenkomst. Deze klachten zijn overigens niet duidelijk uit het onderzoek naar voren gekomen.

De leden Blok, Koenders, Verburg, Vendrik, Van Dijke en Ravestein vroegen wat mij precies voor ogen staat bij de oprichting van een kennis- en informatiecentrum inzake MVO. Mw. Verburg vroeg tevens hoe dit centrum zich verhoudt tot het Nationaal Contactpunt Multinationale Ondernemingen, en wat de rol voor NGO's in het centrum zal zijn. Mw. Ravestein vroeg naar de rol van de Kamers van Koophandel.

Antwoord:
Bij de voorbereiding van de kabinetsnotitie bleek dat er op diverse beleidsterreinen al kenniscentra bestaan of in wording zijn. Sommige daarvan hebben duidelijke raakvlakken met MVO. Duplicatie met bestaande of geplande centra moet worden voorkomen. Ook moet de ervaring met van overheidswege opgezette kenniscentra goed worden bekeken teneinde daar lering uit te trekken.
Vandaar mijn wens dat eerst goed in kaart wordt gebracht waar precies de toegevoegde waarde van een kenniscentrum voor MVO ligt. Het wordt in ieder geval géén onderzoekinstelling voor MVO. Dat zou per definitie duplicatie opleveren, want diverse onderzoeksbureaus en wetenschappelijke instellingen in Nederland houden zich al actief met MVO bezig. Maar het kenniscentrum moet meer doen dan verwijzen naar bronnen van kennis elders. Ik denk vooral aan het in kaart brengen van praktijken van bedrijven, zowel nationaal als internationaal. Daar kunnen anderen baat bij hebben. Op nationaal vlak moet nauw worden samengewerkt met netwerken als Samenleving & Bedrijf. Dat is een belangrijke bron van praktijkervaring. Ook met bestaande kemiscentra van de overheid, zoals het kenniscentrum GSB, moet worden samengewerkt.

Een nieuw kenniscentrum inzake MVO staat los van het al bestaande Nationaal Contactpunt Multinationale Ondernemingen (NCP). MVO speelt immers ook in de nationale context een rol, en is daarmee geenszins alleen een zaak voor het grotere, internationaal opererende bedrijfsleven. Vragen over het gedrag van bedrijven in het buitenland zullen in de praktijk meestal naar het NCP worden doorverwezen. Daar berust immers de kennis over dit soort onderwerpen. Het NCP is een interdepartementaal orgaan, hetgeen betekent dat inbreng van bij andere departementen aanwezige specifieke kennis is verzekerd. Daarnaast zal zeker een belangrijke plaats moeten worden ingeruimd voor de expertise die bij de diverse NGO's aanwezig is.
Voor de Kamers van Koophandel lijkt een dubbele rol weggelegd. Enerzijds kunnen zij fungeren als contactpunt naar het bedrijfsleven, met name de kleinere bedrijven. Anderzijds kan via de Kamer de ervaring van bedrijven met MVO worden gebundeld en ter beschikking gesteld.

Het is niet mijn bedoeling dat een nieuw kenniscentrum MVO een overheidsorgaan wordt. Zo'n centrum heelft pas meerwaarde als het zo onafhankelijk mogelijk van de overheid functioneert. Vandaar dat ik een onafhankelijke instantie wil vragen om te adviseren over opzet en taak van het kenniscentrum MVO. Voor de opzet van het kenniscentrum zal voor de periode 2001 t/m 2005 een bedrag van plm. NLG 6 mln. worden gereserveerd op de EZ-begroting.

De leden Blok, Koenders en Vendrik vroegen om opheldering over het Nederlandse standpunt in de discussie in de OESO over aanpassing van het exportkredietbeleid.

Antwoord:
Ik heb de Kamer hierover in mijn brief van 4 mei jl. (EZ-01-236) geïnformeerd. Dit onderwerp is geagendeerd voor het voor 7 juni a.s. voorziene algemeen overleg met de vaste Kamercommissie voor Economische Zaken.

Het lid Koenders merkte op dat Nederland zijns inziens niet tot de kopgroep in Europa behoort als het om MVO gaat. Hij meende dat Nederland meer zou moeten doen, en dat Britse initiatieven als het Ethical Trading Initiative zouden moeten worden overgenomen.

Antwoord:
Of een land op het gebied van MVO al dan niet tot de kopgroep in Europa is mijns inziens niet alleen af te meten aan de rol van de overheid. Wat vooral telt is de mate waarin MVO door het bedrijfsleven wordt toegepast. Mijn overtuiging is dat het Nederlandse bedrijfsleven in dit opzicht tot de kopgroep in Europa behoort. Het Britse Ethical Trading Initiative is overigens zeker interessant te noemen. Het betreft hier overigens geen initiatief van de overheid. Het gaat hier om een samenwerkingsverband tussen bedrijven, NGO's en vakbonden. De Britse overheid heeft weliswaar besloten om dit initiatief te steunen, maar de overheid speelt verder een ondergeschikte rol.
De Nederlandse overheid heeft overigens een vergelijkbare rol gespeeld bij de opzet van de Stichting Samenleving & Bedrijf. Dat de Nederlandse overheid koploper is bij de stimulering van MVO kan ook worden afgemeten aan de plannen voor de aanpassing van het buitenlandinstrumentarium.

Het lid Koenders vroeg om nadere infonnatie omtrent het aangekondigde onderzoek naar de mogelijkheden om veroorzaking van milieuschade door Nederlandse bedrijven in het buitenland te kunnen bestrijden.

Antwoord:
Het milieugedrag van bedrijven in ontwikkelingslanden onttrekt zich vaak aan de waarneming vanuit Nederland. Dat kan het vennoeden doen ontstaan dat bedrijven daar dingen doen die niet door de beugel kunnen.
Hoewel ik niet de indruk heb dat dit vaak het geval is, vind ik dat moet worden bezien of er mogelijk mazen in het net zijn, en zo ja, of we die kunnen dichten. Voorbeelden van mogelijke problemen zijn illegale houtkap, het dumpen van milieuschadelijke stoffen of van radio-actief afval, en het doen van riskante proeven.

Het is niet de bedoeling dat wij onze milieuwetgeving extraterritoriaal gaan toepassen. Dat past niet in ons beleid en dat is ook praktisch onuitvoerbaar. Maatregelen zijn alleen mogelijk op basis van internationale samenwerking.
Er zijn al enkele internationale afspraken ter voorkoming van milieuschade in het buitenland. Voorbeeld is het verdrag van Bazel inzake transport van gevaarlijke stoffen. Het kabinet wil inventariseren waar verdere afspraken gewenst kunnen zijn.

De heer Koenders vroeg of het parlement wordt betrokken bij de opstelling van een leidraad maatschappelijk verantwoord inkopen.

Antwoord:
Ik zal de Kamer op de hoogte stellen van de bevindingen van het onderzoek dat momenteel wordt verricht naar de mogelijkheden voor toepassing van een dergelijke leidraad. Het spreekt vanzelf dat ik hierover pas zal besluiten nadat ik de mening van de Kamer heb gehoord.

Het lid mw. Verburg vroeg naar mijn voornemens om etnische ondernemers betere opleidingsmogelijkheden te bieden.

Antwoord:
Het is een feit dat allochtone ondernemers vaak slecht voorbereid beginnen. Allochtone ondernemers zijn daar overigens niet uniek in: dit geldt ook voor autochtone ondernemers. Zij starten vaak met een grote dosis enthousiasme, en ook de vakkennis is meestal wel in orde. Aan de basisvaardigheden schort het nogal eens. De cursus Algemene Ondernemersvaardigheden is bedoeld om die basisvaardigheden aan te leren. Voor allochtone ondernemers is deze cursus veelal in hun eigen taal beschikbaar. Er blijft natuurlijk ruimte voor nieuwe initiatieven op het gebied van scholing van starters. Ik wijs op de commissie Onderwijs en Ondernemerschap, die als opdracht heeft om goede voorbeeldprojecten op het gebied van ondernemerschap in het onderwijs te inventariseren en (financieel) te stimuleren. Op de website van de commissie, www.lerenondernemen.nl, wordt uiteengezet hoe men projectvoorstellen kan indienen.

Mw. Verburg vroeg naar de genomen steunmaatregelen voor de ondernemers in Enschede die getroffen zijn door de explosie van 13 mei 2000.

Antwoord:
De Commissie Financiële Afwikkeling Vuurwerkramp (Commissie Van Lidth de Jeude), ingesteld door de gemeente Enschede, heeft een regeling ontwikkeld voor een tegemoetkoming voor ondernemers in de niet- of onderverzekerde bedrijfsschade. De voorgestelde regeling voorzag in een tegemoetkoming voor materiële schade, winstderving, vermogensachteruitgang bij bedrijfsbeëindiging en kosten van advisering. Doelstelling van deze regeling is het bieden van continuïteit. De Ministerraad heeft op 10 november 2000 ingestemd met de hoofdlijnen van deze regeling, die daarna zijn vastgelegd in een beschikking van EZ. De definitieve regeling is door de Stichting Financiële Hulpverlening opgesteld conform de voorstellen van de Commissie Van Lidth.
Op basis van een schatting van deze Commissie van de schade die voor een tegemoetkoming op grond van de regeling in aanmerking zou komen door EZ aan de Stichting Financiële Hulpverlening een bijdrage toegezegd.
Uit de eerste ervaringen met de uitvoering van de regeling blijkt dat zowel het aantal als de hoogte van de verzoeken om een tegemoetkoming op grond van de regeling beduidend geringer is dan de schatting waarop de toegezegde bijdrage is gebaseerd. Dit wordt mijns inziens niet veroorzaakt door beperkende bepalingen in de regeling.

Mw. Verburg vroeg naar meer duidelijkheid over mijn rol en die van van EZ op het gebied van MVO. Zij vroeg tevens hoe MVO op Europees niveau wordt bevorderd.

Antwoord:
Uit de notitie blijkt overduidelijk dat MVO vrijwel het hele kabinet raakt. Ik voeg daaraan toe dat ook de premier nadrukkelijk aandacht besteedt aan dit onderwerp. Daarmee zijn zorgen over gebrek aan eenheid van beleid ongegrond. Zoals bekend is aan mij een coördinerende taak gesteld op het gebied van MVO, zowel in de nationale als in de internationale context. In mijn portefeuille zit immers zowel de bevordering van ondernemerschap in Nederland als de bevordering van internationale handel en investeringen. Tegen die achtergrond kunt u mij beschouwen als de staatssecretaris voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Ik memoreer in dit verband dat op de website van EZ (www.EZ.ni) een aparte site is geopend die geheel aan MVO is gewijd (www.mvo.ez.nl). Deze site zal de komende tijd verder worden uitgebreid en vervolmaakt.

Wat betreft de Europese initiatieven op het gebied van MVO dient gezegd te worden dat deze aanvankelijk vrij vaag waren. Uitgangspunt voor de Commissie is dat MVO ook op Europees niveau invulling moet krijgen. Vanuit het Directoraat-Generaal voor Sociale Zaken is in december 2000 een dialoog met de lidstaten gestart om uit te vinden waar de meerwaarde van een Europees initiatief zou kunnen zijn. Dat initiatief zou in een groenboek (een discussiedocument) moeten worden vastgelegd.
De Nederlandse insteek in deze discussie is dat Europese initiatieven complementair moeten zijn aan die van de lidstaten. De EU zou in het bijzonder kunnen bijdragen aan het goed functioneren van informele netwerken tussen nationale overheden. Een voorbeeld van zo'n netwerk is het Copenhagen Centre, dat in de kabinetsnotitie wordt beschreven. Ook vanuit het perspectief van bedrijfsleven is het logisch dat MVO op de agenda van de EU staat. Ook op Europees niveau geldt dat MVO zich niet leent voor wetgeving. Het idee van de Commissie om richtlijnen voor vrijwillige verslaglegging op te stellen past dan ook geheel in de benadering van Nederland. Deze visie wordt door de meeste andere lidstaten gedeeld.

Het lid Vendrik memoreerde een rapport van het Social Venture Network waarin onder meer gepleit wordt voor wettelijke regels voor de verslaglegging door bedrijven inzake maatschappelijke aspecten van de bedrijfsvoering.

Antwoord:
Het rapport van het Social Venture Network bevat de visie van een groep koplopers op het gebied van MVO. Ik heb de opstelling van dit rapport indertijd aangemoedigd, en ik beschouw het als een zeer waardevolle bijdrage. Ik weet dat de SER er ook baat bij heeft gehad bij de opstelling van het door het kabinet gevraagde advies.
Ik maak uit het rapport van het SVN niet op dat men zonder meer voorstander is van wettelijke regels voor verslaglegging over maatschappelijke aspecten van de bedrijfsvoering. Het rapport stelt dat vrijwillige initiatieven vanuit het bedrijfsleven op korte termijn moeten uitgroeien tot een breed gevolgde praktijk. Als die ontwikkeling uitblijft dan zou de overheid moeten overgaan tot het instellen van een wettelijke verplichting.
Ik kan die redenering op zichzelf wel volgen Deze groep van koplopers zou uiteraard graag zien dat de door hen vrijwillig gevestigde praktijk tot algemene maatstaf wordt verklaard. Het kabinet is zoals bekend geen voorstander van een wettelijke verplichting tot maatschappelijke verslaggeving. In de notitie staat echter duidelijk verwoord hoeveel belang het kabinet hecht aan het betrachten van transparantie door bedrijven.
Vanuit die optiek hecht ik grote waarde aan initiatieven die zowel door het bedrijfsleven als door belanghebbenden in de maatschappij worden gedragen. Ik zal in de adviesaanvraag aan de Raad voor de Jaarverslaggeving hiervoor ook nadrukkelijk aandacht vragen.

De leden Van Dijke en Van der Staaij vroegen wat nu precies de opstelling van het kabinet is inzake verruiming van de zondagsopenstelling.

Antwoord:
Bij de evaluatie van de Winkeltijdenwet in het Algemeen Overleg met de Tweede Kamer op 18-11-1999 zegde de Minister van Economische Zaken toe, met de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid de behoefte aan en uitvoerbaarheid van zondagsopenstelling van winkels in achterstandswijken na te gaan. Bij brief van 21-11-2000 deelde zij de Kamer mee dat zo'n openstelling wetswijziging vereist en dat een rondgang langs enkele grote gemeenten en de VNG had uitgewezen dat zondagsopenstelling in - achterstandswijken vooral vragen en bezwaren opriep. Tijdens het overleg dat de Minister voor Grote Steden- en Integratiebeleid en ik op 30-11-2000 voerden met bestuurders van dertig grote gemeenten werd geconcludeerd dat deze steden, met uitzondering van Den Haag, aan deze verruiming vooralsnog geen behoefte hebben.
In haar genoemde brief deelde de Minister van Economische Zaken mee dat zij zich zou inspannen om de onzekerheid rond de voors en tegens van zondagsopenstelling van winkels in achterstandswijken te verkleinen, bijvoorbeeld door met onderzoek aan te haken bij plaatselijke initiatieven. Dergelijke initiatieven hebben zich, voor zover bekend, nog niet voorgedaan.

Het lid Van Dijke vroeg wat er verder gebeurt met zijn idee om te stimuleren dat startende ondernemers zich in het bijzonder richten op werknemers met een medische of sociale problematiek.

Antwoord:
Zoals ik ook al in mijn brief van 26 januari heb vermeld heb ik dit idee meegegeven aan de bestuurders van de steden. Zij toonden zich daar positief over, maar gaven tegelijkertijd aan dit als een zaak van het decentrale niveau te beschouwen. Ik ben dat met hen eens. Ik acht het daarom niet raadzaam om hier een verdere rol voor de rijksoverheid te claimen.

De heer Van Dijke vroeg voorts naar de rol van convenanten als instrument om bedrijven tot MVO te brengen.

Antwoord:
Convenanten hebben bewezen een effectief instrument te zijn om het bedrijfsleven langs de weg van zelfregulering tot bepaalde resultaten te brengen. Het is in die zin een goed instrument naast wetgeving. Zoals bekend acht ik wetgeving niet het geëigende middel om MVO te bevorderen. Convenanten kunnen echter interessant zijn als het gaat om het bereiken van concrete en meetbare doelen.
De Kamer weet dat ik in 1999 een aanbod heb aanvaard van het VNO-NCW om een convenant te sluiten inzake verslaggeving door bedrijven over de maatschappelijke aspecten van hun bedrijfsvoering. Achtergrond hiervoor was het aangekondigde initiatief van PvdA en GroenLinks voor wetgeving op dit gebied. Ik achtte een convenant toen een kans voor het bedrijfsleven om aan te tonen dat het zijn verantwoordelijkheid weet te nemen.

Het lid mw. Ravestein stelde dat het ministerie van EZ het als zijn taak moet zien het etnisch ondernemerschap te bevorderen.

Antwoord:
Zoals in het gehele grotestedenbeleid is ook ten aanzien van het etnisch ondernemerschap gestreefd naar een evenwichtige verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen het Rijk en de steden. Voor zover zich knelpunten voordoen op dit terrein blijkt het om lokale knelpunten te gaan, die ook op lokaal niveau moeten worden opgelost. De steden zijn daarbij autonoom. De taak van het Rijk is om de resultaten van dit beleid zichtbaar te maken. De Benchmark etnisch ondernemerschap vormt daartoe een instrument, evenals de eerdergenoemde monitor etnisch ondernemerschap.

Mw. Ravestein vroeg naar mogelijkheden om langs fiscale weg MYO op lokaal niveau te stimuleren.

Antwoord:
Er zijn geen specifieke fiscale stimuleringsmaatregelen ter bevordering van MVO, en daarvoor zijn ook geen plannen. Ik verwijs in dit verband tevens naar de binnenkort door de Staatssecretaris van Financiën te publiceren notitie over de fiscus en vrijwilligerswerk.

TENSLOTTE

Ik deel voor de volledigheid nog mede dat de door enkele leden gestelde vragen over aanpassing van het z.g. buitenlandinstrumentarium gericht op bevordering van handel en investeringen aan de orde komen in mijn brief van 4 mei jl. (26485, nr. 15) aan de Kamer.



pagina VERANTWOORD ONDERNEMEN
   
begin document

Landelijke India Werkgroep - 29 juni 2001