terug

BRIEF

(d.d. 28 januari 2000) aan de voorzitter en leden van de vaste commissie Economische Zaken van de Tweede Kamer als reactie op de brief van staatssecretaris Ybema over maatschappelijk verantwoord ondernemen.



ref.0128mvo.tk1
Utrecht, 28 januari 2000




Aan de Voorzitter van de vaste commissie Economische Zaken
Dhr. Mr. P.J. Biesheuvel
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Binnenhof 1A
Den Haag



Geachte heer Biesheuvel,

Hierbij vindt u de reactie van Amnesty International, Fair Trade Organisatie, Humanistisch Overleg Mensenrechten, Landelijke India Werkgroep, Landelijke Vereniging van Wereldwinkels, Max Havelaar, Novib, Pax Christi, Schone Kleren Overleg, Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO), Unicef Nederland en de Zuid-Noord Federatie op de brief over maatschappelijk verantwoord ondernemen in het buitenland door Nederlandse bedrijven, met de 'voorbeeld-gedragscode' voor bedrijven als bijlage, die u op 18 januari jl. van staatssecretaris Ybema heeft ontvangen.

Allereerst willen wij onze waardering uitspreken voor het feit dat de regering nu de eerste concrete stappen zet om maatschappelijk verantwoord ondernemen in het buitenland te bevorderen. Daarmee wordt erkend dat ook de overheid een belangrijke verantwoordelijkheid heeft ten aanzien van zowel de naleving van mensenrechten (inclusief arbeidsrechten) als de bevordering van ecologisch verantwoord ondernemen door het internationaal opererende bedrijfsleven.

Verder stellen wij met waardering vast dat de regering van plan is om maatschappelijke toetsingscriteria te ontwikkelen voor zowel de producten en diensten die de Nederlandse overheid uit het buitenland betrekt als voor overheidssubsidies ter bevordering van investeringen in het buitenland.
Wij willen daarbij het volgende opmerken:

  • wij rekenen er op dat de staatssecretaris bij de verdere ontwikkeling van de toetsingscriteria en het implementatie-mechanisme niet alleen - zoals de brief meldt - instanties, betrokken uitvoerders en andere departementen betrekt, maar ook niet-gouvernementele organisaties en de vakbeweging.
  • niet alleen de verlening van subsidies ter bevordering van investeringen in buitenland maar ook de toepassing van het export-instrumentarium zou moeten worden getoetst aan maatschappelijke criteria. Weliswaar gaat het daarbij om producten die (deels) in Nederland zijn gefabriceerd, maar exporterende bedrijven zijn vaak tegelijk importeurs en/of investeerders. Als zij in die hoedanigheden betrokken zijn bij schending van internationaal geaccepteerde mensenrechtennormen, dan gaat het niet aan - zeker gezien de steeds sterkere verwevenheid van export, import en investeringen bij internationaal opererende bedrijven - hen steun te verlenen voor exportactiviteiten.
De voorbeeld-gedragscode die de staatssecretaris aan de Kamer voorlegt, hoewel van belang als politieke erkenning van de rol van de overheid op dit gebied, schiet schromelijk tekort. Dat betreft zowel het uitgangspunt dat eraan ten grondslag ligt als de status en inhoud van de code.
Wat betreft het uitgangspunt blijven wij het oneens met de constatering dat 'de overheid bedrijven niet moet voorschrijven hoe zij zich in het buitenland dienen te gedragen'. Naleving van internationale aanvaarde mensenrechtennormen (inclusief arbeidsnormen) waaraan Nederland zich heeft gebonden, verdraagt zich absoluut niet met een dergelijke vrijblijvendheid. Wij mogen van (Nederlandse) bedrijven verwachten dat deze normen vanzelfsprekend deel uit maken van hun beleid. Hóe die normen, binnen de grenzen van internationale afspraken, vorm krijgen in het bedrijfsbeleid en in de praktijk worden gebracht en wat een bedrijf méér doet dan het (helpen) uitvoeren van internationaal overeengekomen normen, is inderdaad een kwestie van bedrijfscultuur en -management en van interactie met maatschappelijke 'stakeholders'.
De overheid, op nationaal niveau en/of middels afspraken op internationaal niveau, heeft in deze opvatting dan ook de morele plicht om bij te dragen aan de ontwikkeling van instrumenten om bedrijven te (laten) toetsen op minimaal de naleving van internationaal geaccepteerde mensenrechtennormen.

In zijn brief constateert de staatssecretaris dat de voorbeeld-gedragscode vooral moet worden gezien als een checklist van maatschappelijke aspecten voor bedrijven. Dat klopt, maar juist daarom schiet de 'voorbeeld-gedragscode' zo tekort waar het gaat om de status en de inhoud die een dergelijke code zou moeten hebben. In de brief van 17 juni 1999 van de Zuid-Noord Federatie en een aantal andere organisaties aan u als leden van de Vaste Commissie Economische Zaken vroegen wij aan de Nederlandse overheid:
'de standaardisatie van vrijwillige gedragscodes te bevorderen door samen met maatschappelijke organisaties en de vakbeweging te komen tot een model-gedragscode in termen van gehanteerde normen (op basis van bestaande ILO Conventies en mensenrechtenverdragen) en criteria voor onafhankelijke controle.'
Mede op basis van het bovenstaande willen wij het volgende naar voren brengen over de voorgelegde voorbeeld-gedragscode:

  • de status van de code zou aanzienlijk toenemen door, zeker op het gebied van internationale arbeidsnormen en mensenrechteninstrumenten, verdragen als uitgangspunt te nemen en van bedrijven te verlangen dat deze worden gerespecteerd. Waar het gaat om arbeidsrechten betreft dat dus zowel de 'fundamentele arbeidsnormen' als andere relevante in ILO Conventies vastgelegde normen. Dit zou aangevuld moeten worden met het formuleren van criteria voor onafhankelijke controle (en vaststelling van accreditatie-normen voor controle-instanties) en door sociale verslaglegging zoals voorgesteld door diverse fracties in de Kamer. Daarnaast wordt de implementatie versterkt door zowel de model-gedragscode als rapportage en de onafhankelijke controle te gebruiken als toetsingsinstrumenten voor aankopen en investerings- en exportsubsidies van de overheid.
  • de voorbeeld-code beschrijft de verantwoordelijkheden van ondernemingen op het gebied van mensenrechten niet en juist daar bestaat behoefte aan. De internationale arbeids- en mensenrechtennormen, primair op staten gericht, maken een vertaalslag naar ondernemingen noodzakelijk. De Nederlandse overheid heeft de eindverantwoordelijkheid om, na overleg met maatschappelijke organisaties, gezaghebbende uitspraken te doen over de inhoudelijke en procedurele criteria voor maatschappelijk verantwoord ondernemen in het buitenland.
  • niet alleen 'misbruik' maar ook het 'gebruik' van kinderarbeid door bedrijven en hun onderaannemers moet - in overeenstemming met Conventie 138 van de ILO - worden afgewezen. Dit zou gepaard moeten gaan met het uitbetalen van een 'leefbaar loon' door bedrijven en hun onderaannemers.
  • gezien de aard en omvang van uitbesteding van productie en dienstverlening ('sub-contracting') door internationaal opererende bedrijven en de schending van arbeidsrechten die juist in de uitbestedingsketen plaatsvindt, moet keten-aansprakelijkheid een integraal onderdeel uitmaken van een effectieve model-gedragscode.
  • maatschappelijke organisaties en de vakbeweging zouden geconsulteerd moeten worden over de status en inhoud van de gedragscode.
  • tenslotte doen wij de aanbeveling om na de vaststelling van een code die aan de bovenstaande criteria voldoet, een register in te stellen van bedrijven die de model-gedragscode ondersteunen, deze uitvoeren en daarop ook gecontroleerd willen worden. Een dergelijk 'wit register' zou beheerd kunnen door een instantie waarin overheid, werknemers, werkgevers en maatschappelijke organisaties zijn vertegenwoordigd. Zo'n register is een belangrijke steun in de rug voor bedrijven die maatschappelijk verantwoord opereren en een prikkel voor andere bedrijven om ook die status te verwerven. Ook voor de consument kan een dergelijk register veel duidelijkheid scheppen en maatschappelijk verantwoord consumeren bevorderen.
Wij zijn ons er van bewust dat VNO-NCW de voorbeeld-gedragscode heeft afgewezen. Een persbericht (19-1-2000) van VNO-NCW meldt daar over: 'VNO-NCW bepleit dat de OESO-richtlijnen de kern blijven vormen van de aanbevelingen over internationaal ondernemingsgedrag. Nationale wensenlijstjes zijn overbodig en contraproductief. Zeker als deze bedoeld zijn als aanvulling op datgene wat internationaal is afgesproken'.
Wij delen die mening niet, zeker als het om meer dan een 'wensenlijstje' gaat. Hoewel de herziening van de OESO-richtlijnen een belangrijke kans biedt om ook internationaal vooruitgang te boeken waar het om maatschappelijk verantwoord ondernemen gaat, is een Nederlandse gedragscode daarmee niet strijdig.
De staatssecretaris noemt daarvoor in zijn brief al een aantal argumenten. Twee andere belangrijke argumenten daarvoor zijn:
  • de huidige concept-tekst van de OESO-richtlijnen is volstrekt onvoldoende om het gedrag van bedrijven op het gebied van mensenrechten, arbeidsrechten en milieu aanzienlijk te verbeteren. Voorbeelden: het gaat om een vrijwillige niet-bindende code, de status van de richtlijnen is gereduceerd van 'standards' naar meer vrijblijvende 'principles', er is geen sprake van enige vorm van keten-aansprakelijkheid, de implementatie is zwak voor de OESO-landen en nog zwakker (wellicht zelfs afwezig) voor niet-OESO-landen. Vanzelfsprekend moet Nederland met kracht blijven meewerken aan effectieve OESO-richtlijnen voor bedrijven zonder bovengenoemde zwakke punten. De Nederlandse overheid blijft echter ook een eigen verantwoordelijkheid houden, die minimaal tot uitdrukking zou moeten komen in minder vrijblijvendheid, een nader gedefinieerde keten-aansprakelijkheid, goede implementatie en een onafhankelijke controle.
  • een Nederlandse model-gedragscode maakt het een stuk makkelijker ook kleinere bedrijven, bijvoorbeeld bedrijven die alleen importeren, op hun internationale handelen aan te spreken en daaraan in Nederland aansprekende en effectieve promotie-activiteiten te verbinden.
Wat betreft de 'maatschappelijke verslaglegging' door bedrijven over hun opereren in het buitenland, streeft de staatssecretaris naar een convenant met VNO-NCW. Een dergelijk convenant zou wellicht wenselijk zijn als over de inhoud daarvan niet alleen met VNO-NCW maar ook met de vakbeweging en betrokken NGO's overeenstemming zou kunnen worden bereikt. Dergelijke verslaglegging zou dan in onze visie moeten aansluiten op het soort model-gedragscode waarover hierboven is gepleit.
Het Financieel Dagblad meldde echter op 22 januari jl. dat voorzitter Schraven van VNO-NCW weinig voelt voor een convenant over dit onderwerp. Mede in dat licht lijkt het ons te meer van belang dat de Kamer haar werk aan een wetsontwerp voor 'sociale verslaglegging' met kracht voortzet en daarover ook maatschappelijke organisaties consulteert.

Wij hopen dat u onze voorstellen zult betrekken bij het komende overleg met de staatssecretaris.

Met vriendelijke groet,



Gerard Oonk,
coördinator Landelijke India Werkgroep

mede namens:
Amnesty International
Fair Trade Organisatie
Humanistisch Overleg Mensenrechten
Landelijke India Werkgroep
Landelijke Vereniging van Wereldwinkels
Max Havelaar
Novib
Pax Christi
Schone Kleren Overleg
Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO)
Unicef Nederland
Zuid-Noord Federatie




pagina VERANTWOORD ONDERNEMEN

begin document

Landelijke India Werkgroep - 31 januari 2000