terug

BRIEF

aan de voorzitter en leden van de Vaste Commissie voor Economische Zaken, als reactie van de Zuid-Noord Federatie op de brief (d.d. 16 april 1999) van staatssecretaris Ybema betreffende Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen in Internationaal Verband.


Aan de voorzitter en leden van de Vaste Commissie voor Economische Zaken
Tweede Kamer der Staten Generaal


onderwerp:Brief staatssecretaris Ybema betreffende Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen in Internationaal Verband
datum:17 juni 1999
--------------------

Geachte commissieleden,

Bijgaand vindt u een reactie van de Zuid-Noord Federatie, mede namens ICCO, Kinderen in de Knel-Kerken in Aktie, Max Havelaar, Novib, het Schone Kleren Overleg en Unicef Nederland, op de brief van de staatssecretaris voor Economische Zaken betreffende maatschappelijk verantwoord ondernemen in internationaal verband. Volgens onze informatie bespreekt uw commissie deze brief op 23 juni aanstaande in een overleg met de staatssecretaris.

In bijgaande reactie spreken wij onze teleurstelling uit over het nagenoeg ontbreken van concrete beleidsvoornemens in de brief van de staatssecretaris. Het lijkt erop dat de staatssecretaris naast het werken aan de verbetering van internationale regelgeving voor de overheid geen andere rol ziet weggelegd dan het faciliteren van bestaande initiatieven van bedrijven en maatschappelijke organisaties. Deze rol is in onze visie te passief. Wij bepleiten een actieve inzet van de overheid om maatschappelijk verantwoord ondernemen in internationaal verband te ondersteunen, faciliteren en stimuleren en langs de weg van wet- en regelgeving vorm te geven.

Op nationaal niveau vragen wij van de Nederlandse overheid:

  • de standaardisatie van vrijwillige gedragscodes te bevorderen door samen met maatschappelijke organisaties en vakbeweging te komen tot een modelgedragscode in termen van gehanteerde normen (op basis van bestaande ILO-conventies en mensenrechtenverdragen) en criteria voor onafhankelijke controle;
  • te komen tot een systeem van verplichte sociale verslaglegging door Nederlandse en Europese multinationale ondernemingen;
  • op basis van het bovenstaande een selectief gunningsbeleid voor de overheid te ontwikkelen;
  • de fundamentele arbeidsrechten te incorporeren in het export- en investeringsinstrumentarium van de Nederlandse overheid;
  • wetgeving te overwegen m.b.t. de extra-territoriale strafbaarheid van overtredingen tegen fundamentele arbeidsnormen.
Op Europees niveau kan de regering een actief beleid gestalte geven door bovengenoemde maatregelen ook op Europees niveau te bepleiten en te streven naar een toekomstige integratie in Europese regelingen. Het initiatief van het Europese parlement om te komen tot een Europese gedragscode en monitoring platform biedt daartoe wellicht een goed uitgangspunt.

Wij hopen dat u onze suggesties wilt betrekken bij het overleg met de staatssecretaris.

Met vriendelijke groet,
Zuid-Noord Federatie
J.M. Verspaget, voorzitter



c.c. drs G. Ybema, staatssecretaris voor Economische Zaken
     Vaste Kamercommissie voor Buitenlandse Zaken
     Vaste kamercommissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
     K. de Vries, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid



Commentaar van de Zuid-Noord Federatie op de brief van staatssecretaris Ybema betreffende maatschappelijk verantwoord ondernemen in internationaal verband van 16 april 1999

In onderstaand commentaar geeft de Zuid-Noord Federatie, mede namens ICCO, Kinderen in de Knel-Kerken in Aktie, Max Havelaar, Novib, het Schone Kleren Overleg en Unicef Nederland, haar reactie op de bovengenoemde brief, die op 23 juni a.s. is geagendeerd in een overleg van de vaste commissie voor Economische Zaken met de staatssecretaris. In dit commentaar willen wij als organisaties betrokken bij verantwoord ondernemen en eerlijke handel met producenten in het Zuiden, kort de voorgeschiedenis van de betrokken brief in herinnering roepen en u voorleggen welke concrete initiatieven wij op dit beleidsterrein van de staatssecretaris hadden verwacht.

Naar aanleiding van een door de Tweede Kamer aangenomen motie stuurden de Minister voor Ontwikkelingssamenwerking en de Staatssecretaris van Economische Zaken in januari 1997 een notitie aan de Kamer over de 'Bevordering van import van ecologische en/of sociaal verantwoord geproduceerde producten' (1996-1997, 25217,nr 1). Zestien ontwikkelingsorganisaties en de FNV reageerden met een uitvoerig commentaar, aangevuld met tal van concrete aanbevelingen (zie bijlage I).
In april van dat jaar vond hierover een gesprek plaats tussen een delegatie van de zeventien organisaties en de leden van de vaste commissies voor Buitenlandse Zaken en Economische Zaken. In september 1997 volgde een algemeen overleg in de Kamer met minister Pronk en staatssecretaris Van Dok-Van Weele over de - ons inziens uiterst magere - beleidsvoornemens, met name op het gebied van keurmerken. Veel vragen over maatschappelijk verantwoord ondernemen over de grenzen bleven open.

Toen staatssecretaris Ybema eind 1998 een kamerbrief over dit onderwerp toezegde, veronderstelden wij dat een belangrijke volgende beleidsstap gezet zou worden. Immers, meer dan eens hadden de Tweede Kamer - onder meer tijdens de behandeling van de begroting van Economische Zaken - en de staatssecretaris het belang van het thema onderstreept. Bovendien gaf de staatssecretaris te kennen gesprekken met maatschappelijke organisaties essentieel te vinden bij de totstandkoming van het internationale beleid van zijn ministerie. Wij hoopten daarom onze beleidsaanbevelingen en die van kamerleden in ieder geval voor een deel terug te vinden in de brief van de staatssecretaris.

In het licht van het bovenstaande stelt de brief van de staatssecretaris uitermate teleur. De brief opent met het verslag van gesprekken met (een deel van) het bedrijfsleven die nog plaatsvonden onder verantwoordelijkheid van de vorige staatssecretaris. De conclusie uit deze gesprekken, - kort samengevat: wel werken aan internationale regelgeving, maar geen concrete maatregelen die verder gaan dan het faciliteren van bestaande initiatieven van bedrijven en maatschappelijke organisaties - lijkt de staatssecretaris vrijwel integraal over te nemen. Opvallend is dat de staatssecretaris in de brief géén melding maakt van een reeks gesprekken die zijn voorganger en haar ambtenaren in diezelfde periode voerden met de vakbeweging en een groot aantal maatschappelijke organisaties. Hierdoor ontstaat een eenzijdig en incompleet beeld van de mogelijkheden van gedragscodes. Veel genoemde randvoorwaarden voor transparantie en controleerbaarheid, zoals de verwijzing naar fundamentele ILO-normen en onafhankelijke controle, komen niet naar voren.
De staatssecretaris vervolgt zijn brief met een aantal opties voor beleid. In dat verband komen diverse concrete en deels vanuit de Kamer geopperde mogelijkheden aan bod. De argumentatie waarmee deze voorstellen direct weer van tafel verdwijnen, schiet in onze visie volstrekt tekort. Dat geldt bijvoorbeeld voor de verslagleggingsplicht voor sociaal en milieubeleid en een mogelijk selectief gunningsbeleid.
Wij spitsen het vervolg van ons commentaar op vier punten toe.

Normatief optreden, de Europese dimensie
In het oog springt dat de staatssecretaris alle voorstellen afwijst die het Nederlands/Europees internationaal opererend bedrijfsleven stimuleren gedragscodes op te stellen en deze onafhankelijk te laten controleren. De staatssecretaris meent dat individuele gedragscodes een verantwoordelijkheid van de bedrijven zelf zijn en louter op vrijwillige basis tot stand moeten komen. Daarmee neemt de staatssecretaris afstand van een ontwikkeling die zich in Europa aftekent.

Het Europees Parlement bijvoorbeeld is van mening dat vrijwillige en meer bindende benaderingen van 'corporate regulation' elkaar niet uitsluiten en spreekt over een geleidelijke benadering van het creëren van standaarden voor bedrijven. Wij stemmen daarmee in. Een bedrijf kan heel wel een individuele gedragscode hebben, terwijl bijvoorbeeld verslaglegging over de naleving van fundamentele arbeidsnormen en mensenrechten verplicht wordt gesteld. In een notitie van 30 maart 1998 liet het Ministerie van Economische Zaken nog weten: 'EZ is van oordeel dat een eventuele toetsing op naleving van gedragscodes zou dienen te gebeuren door een onafhankelijke private organisatie'. Deze uitspraak is in de brief van de staatssecretaris niet meer terug te vinden.

Ook in enkele ons omringende landen worden is de overheid een stuk actiever. Zo werd in het Verenigd Koninkrijk met steun van de overheid het Ethical Trading Initiative (ETI) opgericht als samenwerkingsverband van bedrijven, vakbonden en maatschappelijke organisaties en met als doel de arbeidsomstandigheden in toeleveringsketens te verbeteren. In België is onlangs de 'Wet sociaal verantwoorde productie' aangenomen. Deze wet neemt de basisconventies van de ILO als uitgangspunt voor certificering van ondernemingen en labeling van producten.

Het verbaast ons dat de staatssecretaris met zijn verwijzing naar de OESO-richtlijnen afstand neemt van de door het Europees Parlement voorgestelde modelgedragscode. Natuurlijk zijn herziene en bindende OESO richtlijnen van groot belang en moet ook de effectiviteit van het contactpunt voor multinationale ondernemingen worden vergroot. Een Europese modelgedragscode met een systeem van positieve en negatieve 'prikkels' en het voorgestelde 'European Monitoring Platform' kunnen echter een positieve bijdrage leveren aan het tot stand komen van dergelijke herziene OESO-richtlijnen.

Het export- en investeringsinstrumentarium
De vraag of bij de inzet van het Nederlandse export- en investeringsinstrumentarium andere dan economische overwegingen moeten gelden, beantwoordt de staatssecretaris negatief. Wij zijn van mening dat bedrijven die gebruik maken van het export- en investeringsinstrumentarium van de Nederlandse overheid, getoetst moeten worden op het naleven van de fundamentele ILO-normen, de OESO-richtlijnen en de mensenrechtenverdragen. Deze toetsing kan bijvoorbeeld plaatsvinden door een combinatie van verplichte sociale verslaglegging door de betrokken bedrijven en een klachtenprocedure. De met subsidies en andere faciliteiten van de overheid exporterende bedrijven maken, zoals de staatssecretaris opmerkt, hun producten in Nederland. Dezelfde bedrijven zijn evenwel ook vaak als importeurs of investeerders actief. Als zij in die hoedanigheid verantwoordelijkheid dragen voor schending van arbeids- en mensenrechtennormen, gaat het niet aan hen overheidssteun te verlenen voor hun exportactiviteiten.
In een brief van 16 november 1998 aan de ontwikkelingsorganisatie BBO liet minister Jorritsma weten dat het instrumentarium voor export- en handelsbevordering vooral bedoeld is om ervoor te zorgen dat Nederlandse exporteurs en investeerders zich niet in een nadelige concurrentiepositie bevinden ten opzichten van buitenlandse partijen en zij concludeert: "Het incorporeren van harde voorwaarden ten aanzien van fundamentele arbeidsrechten is hiermee moeilijk verenigbaar". Deze onacceptabele onderschikking van fundamentele mensenrechten aan een Nederlands economisch belang maakt des te duidelijker hoezeer het noodzakelijk is om overheidssteun voor de bevordering van handel en investeringen te binden aan naleving - door de begunstigde bedrijven - van de OESO-richtlijnen en de fundamentele ILO-normen.

Extra-territoriale toepassing van bepaalde normen
In zijn paragraaf over het export- en investeringsinstrumentarium zegt de staatssecretaris de mogelijkheden te willen bezien om de naleving van de OESO-richtlijnen en fundamentele ILO-normen te bevorderen. Het toepassen van het extra-territorialiteitsbeginsel op internationaal opererende bedrijven ten aanzien van naleving van de fundamentele ILO-normen en de OESO richtlijnen biedt daartoe goede mogelijkheden. Een precedent op dit gebied is de aanbeveling in het verdrag tegen de ergste vormen van kinderarbeid die landen vraagt om overtredingen strafbaar te stellen, 'ook als deze vergrijpen in een ander land zijn gepleegd'.
De Nederlandse regering heeft de ILO voorgesteld om in dit kader niet alleen te denken aan vergrijpen van individuen maar ook van 'companies, their subcontractors and other legal entities'. Aangezien het verdrag tegen de ergste vormen van kinderarbeid deel zal uitmaken van de fundamentele ILO-normen verdient het aanbeveling te overwegen om via wettelijke maatregelen vergrijpen tegen alle fundamentele arbeidsnormen strafbaar te stellen, ook als deze vergrijpen buiten Nederland worden gepleegd.

Dialoog met maatschappelijke organisaties
De door de staatssecretaris voorgestelde beleidsinitiatieven zijn uiterst mager. Naast de overigens door ons ondersteunde versterking van de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen wordt vooral gewag gemaakt van veel structureel overleg, consultaties en discussies. Als maatschappelijke organisaties stellen wij consultatie op prijs. Onze vrees is evenwel dat op deze wijze overleg in de plaats treedt van en niet bijdraagt aan een actief, creatief en stimulerend overheidsbeleid. De door de staatssecretaris genoemde 'makelende' rol van de overheid hoeft een ondersteunende, stimulerende, faciliterende en vooral wetgevende rol niet in de weg te staan. Van het ministerie verwachten we een beleid dat de inspanningen van bedrijven en maatschappelijke organisaties ten aanzien van maatschappelijk verantwoord ondernemen ondersteunt vanuit de optiek van internationale afspraken en verdragen. Wellicht kan het Ministerie van Economische Zaken daarnaast een makelende rol spelen bij het afstemmen van het beleid op dit gebied tussen de betrokken ministeries. De onderlinge afstemming is naar ons oordeel gebrekkig en een zekere beleidsapathie waarbij iedereen op iedereen lijkt te wachten, wellicht daarvan een gevolg. In dit verband hadden we onder de huidige brief minstens ook de handtekeningen verwacht van de ministers van Ontwikkelingssamenwerking en Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De eerder aan u voorgelegde aanbevelingen voor de bevordering van de import van sociaal en ecologisch verantwoord geproduceerde producten, zijn in annex aan dit commentaar toegevoegd.

Den Haag, 17 juni 1999




pagina VERANTWOORD ONDERNEMEN

begin document

Landelijke India Werkgroep - 1 oktober 1999