terug

Tweede Kamer der Staten-Generaal


Vergaderjaar 2002-2003



27 467

26 485

28 775

Ondernemen tegen armoede

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Oprichting Stichting Kenniscentrum
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen


Nr. 10




1 Samenstelling:
Leden: Crone (PvdA), De Grave (VVD), voorzitter. De Haan (CDA), Remkes (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), ondervoorzitter, Atsma (CDA), Timmermans (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Blok (VVD), Ten Hoopen (CDA), Slob (ChristenUnie), Van den Brink (LPF), Duyvendak (GroenLinks), Kortenhorst (CDA), Hessels (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Varela (LPF), Algra (CDA), Aptroot (VVD), Blom (PvdA), Douma (PvdA), De Krom (VVD), Van der Laan (D66), Heemskerk (PvdA), Samsom (PvdA) en Van Dam (PvdA).
Plv. leden: Tichelaar (PvdA), Van Beek (VVD), Van der Hoeven (CDA), Örgü (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Mastwijk (CDA), Koenders (PvdA), Vos (GroenLinks), Van Miltenburg (VVD), Jan de Vries (CDA), Van der Vlies (SGP), Hermans (LPF), Van den Brand (GroenLinks), Verburg (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), Lazrak (SP), De Ruiter (SP), Eerdmans (LPF), De Pater-van der Meer (CDA), Nicolaï (VVD), Smeets (PvdA), Van Heteren (PvdA), Hofstra (VVD), Giskes (D66), Tjon-A-Ten (PvdA), Van Dijken (PvdA) en Waalkens (PvdA).
2 Samenstelling:
Leden: Terpstra (VVD), De Graaf (D66), Dijksma (PvdA), De Haan (CDA), voorzitter, Koenders (PvdA), Karimi (GroenLinks), Timmermans (PvdA), ondervoorzitter, Van Bommel (SP), Albayrak (PvdA), Eurlings (CDA), Wilders (VVD), Van Baalen (VVD), Van Aartsen (VVD), Van Winsen (CDA). Van As (LPF), Herben (LPF), Ormel (CDA), Ferrier (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Van Velzen (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Haverkamp (CDA), Van Velzen (SP), Fierens (PvdA), Tjon-A-Ten (PvdA), Hirsi Ali (VVD) en Eijsink (PvdA).
Plv. leden: Nijs (VVD), Dittrich (D66), Dubbelboer (PvdA), Hessels (CDA), Stuurman (PvdA), Vos (GroenLinks), Arib (PvdA), De Wit (SP), Leerdam (PvdA), Sterk (CDA), De Vries (VVD), Rijpstra (VVD), Hoogervorst (VVD), Van Ardenne-van der Hoeven (CDA), Varela (LPF), Van den Brink (LPF), Ross-van Dorp (CDA), Rambocus (CDA), Halsema (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Kant (SP), Balkenende (CDA), Çörüz (CDA), Wolfsen (PvdA), Van Nieuwenhoven (PvdA), Waalkens (PvdA) en Geluk (VVD).
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG
Vastgesteld 14 mei 2003

De vaste commissie voor Economische Zaken1 en de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken2 hebben op 24 april 2003 overleg gevoerd met staatssecretaris Wijn van Economische Zaken en staatssecretaris Van Ardenne-van der Hoeven van Buitenlandse Zaken over:
het verslag van de India-missie (27 467, nr. 8);
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (26 485, nr. 22);
Ondernemerschapsmonitor winter 2002-2003 (EZ-03-110);
Rapportage Nationaal Contactpunt voor Multinationale Ondernemingen (EZ-03-146);
Antwoorden op vragen over het Kenniscentrum Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (28 775, nr. 2);
de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken over Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen.
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Verslag van de India-missie

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Hessels (CDA) zou het naar aanleiding van het verslag over het bezoek van een aantal bedrijven en instellingen aan India op prijs stellen als de beide staatssecretarissen op enig moment nagaan wat de effecten van de missie zijn geweest voor de deelnemende bedrijven. Het lijkt hem nuttig om hierin inzicht te krijgen met oog op het aanbrengen van verbeteringen bij een eventuele volgende missie. Hij benadert de reis vooral vanuit het gezichtspunt van verantwoord maatschappelijk ondernemen, MVO. Hij is verheugd dat ook vertegenwoordigers van het middenveld aan de reis hebben deelgenomen. Dit bevordert het partnerschap tussen overheid, bedrijfsleven en middenveld op het gebied van internationale samenwerking.
Er heeft tijdens de reis een gesprek plaatsgevonden met Greenpeace India over de gevolgen die de giframp bij Bhopal in 1984 nog steeds heeft. Er zijn in dezelfde regio ook andere bedrijven waar gevaar bestaat. Wordt er in dit kader actie ondernomen in Nederland? Worden de betreffende bedrijven in India gewezen op hun verantwoordelijkheid in het kader van MVO-wereldwijd?

De heer De Krom (VVD) sluit zich graag aan bij het betoog van de heer Hessels.

Mevrouw Karimi (GroenLinks) vindt in het verslag van de reis van de beide staatssecretarissen naar India de bijdrage aan de twee doelstellingen van de nota "Ondernemen tegen armoede" nergens terug. Deze doelstellingen zijn: steun aan de particuliere sector in ontwikkelingslanden en bijdragen aan duurzame werkgelegenheid. Kunnen de staatssecretarissen hierop ingaan?
Waarom zaten in de delegatie naar India, een land met zeer slechte arbeidsomstandigheden en kinderarbeid, geen leden van de vakbond? De FNV heeft niet lang geleden zelf een reis naar India gemaakt met het doel aandacht te besteden aan MVO. Het verslag van de reis van EZ/OS en dat van de FNV geven een totaal verschillend beeld van de situatie in India. Kunnen de bewindspersonen hierop reageren?
De Nederlandse regering ziet zich op dit moment genoodzaakt om de ontwikkelingssamenwerkingsrelatie met India in heroverweging te nemen. De mensenrechtensituatie in India laat veel te wensen over, maar het stopzetten van de ontwikkelingsrelatie zou tegen het Nederlandse uitgangspunt van langdurige committering zijn. Wordt de heroverweging ingegeven door een eigenstandige Nederlandse positiebepaling of door de signalen van Indiase kant? Is de staatssecretaris in haar demissionaire positie gerechtigd om een dergelijk besluit te nemen?

Mevrouw Tjon-a-Ten (PvdA) vraagt naar aanleiding van de heroverweging van de bilaterale ontwikkelingshulp of er contacten zijn geweest tussen vertegenwoordigers van de Indiase en de Nederlandse regering en, zo ja, op welk niveau. Speelt het toenemende Hindoenationalisme een rol in het eenzijdig opzeggen van de bilaterale ontwikkelingsrelatie? Speelt de kritische opstelling van Nederland met betrekking tot een aantal gebeurtenissen in India daarbij een rol? Heeft de Indiase regering wellicht geen behoefte aan veeleisende donoren zoals Nederland?
Welke overwegingen spelen aan Nederlandse kant een rol bij het heroverwegen van de ontwikkelingsrelatie? Wat zijn de gevolgen voor de continuïteit van de door Nederland gefinancierde projecten? Welke gevolgen zal het stopzetten van de bilaterale hulprelatie hebben voor de Indiase bevolking, met name vrouwen, meisjes, de laagste kaste en andere gemarginaliseerde groepen? Zal met het beëindigen van de bilaterale ontwikkelingsrelatie ook het beleidsonderdeel MVO gestopt worden? Minister Joshi van Onderwijs heeft eerder in een brief laten weten dat India zich zou gaan beraden op de financiële bijdrage van bilaterale donoren. Waren er in november 2002 al signalen dat India bezig was de bilaterale ontwikkelingsrelatie met Nederland te herzien? Zo ja, waarom heeft de Nederlandse regering deze signalen niet opgepikt en de Kamer hierover niet ingelicht?
Hoe komt het dat een werkverslag van de FNV een heel ander beeld geeft van het MVO-gehalte van de Nederlandse bedrijven in India dan de bewindslieden?

Antwoord van de bewindslieden

De staatssecretaris van Buitenlandse Zaken merkt op dat de reis die de staatssecretaris van Economische Zaken en zijzelf met een aantal Nederlandse bedrijven en instellingen naar India gemaakt hebben, een eerste experiment was, waaruit lessen getrokken zouden moeten worden voor de toekomst met het oog op het gezamenlijk optrekken bij de implementatie van de doelstellingen van de nota "Ondernemen tegen armoede". Deze nota gaat uit van het versterken van de private sector in de ontwikkelingslanden en het bevorderen van duurzame werkgelegenheid. Omdat het niet mogelijk is om dit als Nederlandse overheid alleen te doen, ligt het voor de hand om hierbij Nederlandse bedrijven te betrekken. Het gaat om een samenspel tussen de ministeries van EZ en OS, waarbij zij samen de agenda "Ondernemen tegen armoede" moeten uitwerken.
Het tijdstip waarop de missie naar India zou plaatsvinden alsmede de ondernemers die zouden meegaan, stond van tevoren redelijk vast. Het ging met name om ondernemers in de water- en baggersector. Nadat bekend was geworden dat er twee bewindslieden van verschillende ministeries zouden meegaan, is een tweede oproep gedaan voor de reis. Daarop hebben zich een aantal bedrijven die wilden investeren in kennisoverdracht aangemeld, zoals de TU Delft, die op de reis afspraken heeft kunnen maken met de deelstaat Kerela over technisch onderwijs.
De Nederlandse bedrijven die meegingen met de reis deden dit voor eigen oogmerk, maar waren tegelijkertijd bereid om hun gezichtsveld te verbreden naar de doelstelling "Ondernemen tegen armoede". Er zijn tijdens de reis vele bijeenkomsten geweest met het Indiase bedrijfsleven en met NGO's, waarbij MVO de hoofdmoot van de discussie was. Daarbij bleek dat de discussie over MVO in India overal publiek wordt gevoerd en volle zalen trekt met maatschappelijke organisaties en bedrijven. Het was voor het Nederlandse bedrijfsleven van grote betekenis om dit mee te maken.
Uit de reis is een belangrijke les geleerd. Wanneer gericht gekozen zou worden voor het uitgangspunt "Ondernemen tegen armoede", dan zou bij het selecteren van bedrijven meer sectorgericht te werk gegaan moeten worden. Momenteel is de voorbereiding gaande voor een specifieke sierteeltmissie naar Ethiopië, gericht op "Ondernemen tegen armoede" en op specifieke bedrijven die passen in dit concept. Afhankelijk van de landen waar het om gaat, zal telkens de samenstelling van de missie bepaald dienen te worden. Maatwerk is bij iedere missie van groot belang.
Bij de terugkoppeling waren de deelnemende bedrijven en instellingen over het algemeen positief over de resultaten ten opzichte van het doel dat zij beoogd hadden met de reis, zoals opdrachten, het bouwen van schepen of contracten met subcontractors. Het experiment heeft geleerd dat de formule om als Nederlandse bedrijven samen met Economische Zaken en Ontwikkelingssamenwerking op stap te gaan, werkbaar is en ook op andere landen van toepassing kan zijn. De staatssecretaris is echter geen voorstander van een totale monitoring van de zijde van de overheid. Het bedrijfsleven moet zelf iets doen met de uitkomsten van de reis.
Ook de vakbonden waren uitgenodigd om mee te gaan op deze reis, maar zij hebben vanwege het feit dat zij niet lang geleden zelf een missie naar India hebben ondernomen, niet deelgenomen.
Er is op verzoek van Greenpeace een gesprek gevoerd met Greenpeace India waarbij de nog steeds verschrikkelijke effecten van het drama in Bhopal opnieuw zijn belicht. De Nederlandse regering heeft hierover niet op het niveau van de minister met de Indiase regering kunnen spreken, maar de Nederlandse ambassadeur in India zal dit punt blijven opbrengen in het gesprek. Overigens onderneemt de Indiase regering niet veel actie op dit gebied. Het onderwerp is ook uitgebreid in een van de sessies over MVO met bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties aan de orde geweest.
De Nederlandse regering heeft tijdens of na de missie niet de meetlat langs de bedrijven gelegd, omdat de bedrijven niet op MVO geselecteerd waren. Het is belangrijk dat de deelnemende bedrijven tijdens een dergelijke missie overtuigd worden dat zij MVO in het vaandel moeten gaan voeren. De FNV heeft haar eigen onderzoek gedaan naar het MVO-gehalte van bedrijven die in India opereren. De staatssecretaris heeft tijdens de reis met genoegen geconstateerd dat bij de ondernemingen de bereidheid bestaat om breder te kijken dan alleen naar de winstmogelijkheden.
De Nederlandse regering ziet zich inderdaad genoodzaakt om de ontwikkelingsrelatie Nederland-India te herzien. De stelselmatige schending van mensenrechten in de deelstaat Gujarat en de weigering van de staatsoverheid om een MOU voor het PSOM-programma te tekenen, maken een redelijke samenwerking erg moeizaam. Minister Singh van Financiën heeft in een aantal toespraken duidelijk gesteld dat hij van alle donoren af wil. Mogelijk vindt hij het lastig dat donoren vragen om verantwoordelijkheid van de zijde van de Indiase overheid. India wil zelf ontwikkelingslanden gaan steunen en gaat in dit kader een programma met Suriname opzetten. Ook minister Joshi van Onderwijs heeft signalen afgegeven dat hij de westerse wereld niet nodig heeft voor de verwezenlijking van zijn onderwijsprogramma. Er wordt in onderwijs geïnvesteerd via het fast track initiative waarbij de Wereldbank afspraken maakt met de Indiase regering. Dit initiatief staat los van de bilaterale ontwikkelingsrelatie met India. Een heikel punt is verder dat India ondanks de grote internationale druk om te gaan reduceren, onverminderd het kernwapenprogramma voortzet. Overigens is het Nederlandse OS-budget voor India met 80 mln. slechts zo'n 0,005% van het totale overheidsbudget.
Een eventuele stopzetting van de bilaterale relatie op overheidsniveau zal moeten plaatsvinden via een zorgvuldige afbouwen overdracht naar maatschappelijke en multinationale organisaties. De beslissing om dit te doen is nog niet genomen. De discussie hierover vindt plaats via de Nederlandse ambassadeur in India, die Nederland hierover dagelijks informeert. De staatssecretaris wil niet vooruitlopen op de beslissing. De uiteindelijke conclusie zou echter kunnen zijn dat de relatie met India inhoudelijk, kwalitatief en effectief niet aan de maatstaven van de Nederlandse regering voldoet. Overigens heeft de Landelijke India Werkgroep in een brief laten weten dat Nederland de eer aan zichzelf zou moeten houden. De update van de landen- en sectorscreening is inmiddels gereedgekomen, maar de beslissing hierover zal door een missionair kabinet genomen moeten worden.

De staatssecretaris van Economische Zaken vindt het bijzonder nuttig om samen met de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken te onderzoeken hoe aan het beleid "Ondernemen tegen armoede" gestalte kan worden gegeven. In de nota ontbreekt inderdaad een slothoofdstuk over de invulling hiervan via concrete acties. De missie moet gezien worden als een leerexperiment met als grote winst dat de werelden van de ontwikkelingssamenwerking en het bedrijfsleven nader tot elkaar gebracht zijn en raakvlakken blijken te hebben. Bedrijven worden zich meer en meer bewust van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid en vragen steeds meer om concrete voorbeelden en suggesties hoe zij dit kunnen doen. Grote bedrijven als Shell hebben op de bijeenkomsten laten zien hoe zij via scholing, sanitatie-, schoonwater-, elektriciteits- en zaadveredelingsprojecten aan duurzame armoedebestrijding doen en lokaal ondernemerschap stimuleren. De missie heeft als concreet resultaat dat EZ en OS samen een loket zullen openen bij de EVD, de Economische Voorlichtingsdienst waar bedrijven informatie kunnen krijgen over "Ondernemen tegen armoede" en vragen kunnen stellen over zaken als corruptie. Ook bij de uitwerking van maatschappelijk verantwoord ondernemen in dit soort landen komt het onderwerp corruptie aan de orde. Er zal een aparte website komen die aanhaakt bij de EVD website www.internationaalondernemen.nl. Het is de staatssecretaris overigens opgevallen dat bij het seminar dat georganiseerd werd door de NGO's het onderwerp corruptie zeer open en uitgebreid werd besproken, wat gezien kan worden als een eerste aanzet tot verandering.
Er is verder een onderzoek gestart naar de wijze waarop Nederlandse bedrijven in ontwikkelingslanden kunnen bijdragen aan een duurzame ontwikkeling in de particuliere sector. Daarbij dient in de toekomst wellicht meer voor een sectorale invulling gekozen te worden.
Het gaat bij dergelijke missies om een win/winsituatie. Een bedrijf moet kansen zien om winst te maken, maar het moet wel "fatsoenlijke" winst zijn. Het resultaat van de missie is dat drie bedrijven nog bezig zijn met het afsluiten van orders, terwijl alle bedrijven en instellingen samen ongeveer zeven contracten aan de missie hebben overgehouden, wat meer is dan bij de gemiddelde missie. Er is ook een contract afgesloten waarbij een Nederlands bedrijf op scheepsbouwgebied tweedehands schepen uit Nederland aan India verkoopt en tegelijkertijd Indiase bedrijven betrekt bij de nieuwbouw van schepen.

Maatschappelijk verantwoord ondernemen

Vragen en opmerkingen uit de commissies

De heer Hessels (CDA) merkt op dat MVO volgens de definitie in de stukken altijd betrekking moet hebben op het primaire proces van het bedrijf. Hij ziet MVO meer als een bewustwordingsproces, waarbij een bedrijf gewezen wordt op zijn verantwoordelijkheid om iets te doen voor mens, milieu en maatschappij. Dat hoeft niet per se betrekking te hebben op het primaire proces. Een voorbeeld is de autospuiterij die in het weekend zijn hal leegruimt om plaats te bieden aan de plaatselijke harmonie waarvan de oefenzaal is uitgebrand.
Hij is er niet voor dat de overheid in dit bewustwordingsproces allerlei verplichtingen gaat opleggen met als gevolg een toename aan bureaucratie en administratievelastendruk. Het is van belang dat de Raad voor de jaarverslaggeving aangeeft hoe op een eenvoudige en heldere manier in een jaarverslag kan worden ingebouwd wat er op het gebied van MVO is gedaan. MVO moet ook lokaal meer gestimuleerd worden. De overheid, het bedrijfsleven en de maatschappelijke onderneming hebben elkaar nodig op het gebied van werkgelegenheid, economische ontwikkeling en veiligheid. MKB Nederland heeft een aantal gidsen uitgebracht die als voorbeeld kunnen dienen. Het aangeven van best practices werkt heel positief in het bewustwordingsproces bij bedrijven. Hoe zit het met de afspraken die worden gemaakt met grotere bedrijven? In hoeverre heeft het onderdeel profit overwicht in de beslissing om aan MVO te gaan doen?
Hij is niet tevreden over de gedragscodes van de overheid. Het duurt te lang en er straalt geen ambitie van uit. De overheid moet zelf het goede voorbeeld geven. Wanneer komt er een MVO-gedragscode voor de overheid als inkoper? Wanneer wordt het Groenboek MVO in Europa omgezet in afspraken die hun effecten hebben voor het inkoopgedrag van Europese overheden?
Hij juicht het onderzoeksprogramma MVO, dat het mogelijk maakt dat studenten en universiteiten direct bij MVO in de praktijk betrokken raken, van harte toe. Bij de universiteit van Maastricht werd in 1988 de leerstoel "ethiek voor economie en bedrijf" opgericht, volledig gefinancierd door het regionale bedrijfsleven. Deze leerstoel werd later door de universiteit overgenomen, maar nu de hoogleraar is vertrokken, heeft de universiteit Maastricht besloten de leerstoel voorlopig niet meer in te vullen. Is de staatssecretaris bereid om eventueel via de minister van OCW te bevorderen dat de universiteit Maastricht en andere universiteiten op een positieve manier naar dit soort initiatieven kijken? Er zijn ook op het gebied van onderzoeks- en opleidingsprogramma's bij universiteiten internationale dwarsverbindingen te leggen of reeds gelegd. In welke mate participeert het bedrijfsleven hierin financieel?

De heer De Krom (VVD) is van mening dat het bij MVO gaat om het toevoegen van herkenbare maatschappelijke waarden op lange termijn. Hij ziet bij het stimuleren van MVO veel in het geven van concrete voorbeelden, omdat dit effect heeft op andere bedrijven. Om te bereiken dat MVO een integraal deel van de bedrijfsstrategie wordt, is een cultuurverandering binnen de bedrijven nodig. De overheid moet hierin het goede voorbeeld geven. Fatsoen moet je doen. Hij deelt de mening van de SER en het kabinet dat wet- en regelgeving op dit vlak niet zinvol is. Hij ziet ook weinig in het opnemen van afspraken over MVO in cao's die algemeen verbindend worden verklaard. Hij is evenmin overtuigd van het nut van het hanteren van allerlei criteria bij exportkredieten. De overheid moet in het proces van MVO de rol hebben van partner met het maatschappelijk middenveld en het bedrijfsleven en dient een stimulerende rol te vervullen. Zij dient er bijvoorbeeld voor te zorgen dat in een sociaal zwakkere buurt publieke voorzieningen en services op peil blijven om te zorgen dat de winkels niet wegtrekken.
Er is bij internationaal opererende bedrijven kennis aanwezig over MVO en er worden goede en concrete initiatieven genomen. Bij het MKB ligt dit anders. Het is niet goed om bij kleine bedrijven overspannen verwachtingen te hebben. Het is wellicht zinvol om hierover eens een discussie aan te gaan met de sector.
Er is op het gebied van verplichtingen veel vastgelegd in wetgeving, bijvoorbeeld op het gebied van het milieu. Er zijn op het ethische vlak via de OESO en andere internationale verdragen gedragscodes afgesproken. Het lijkt hem een goede zaak om hieraan meer te doen via de Nationale contactpunten, de NCP's. Maar de ondernemers moeten zelf zien dat MVO loont, zodat MVO een integraal onderdeel gaat uitmaken van de bedrijfsstrategie. Ook jaarverslagen op dit vlak zijn een goede zaak, maar zij dienen niet dwingend te worden opgelegd.
Hij is geschrokken van het wollige taalgebruik in de stukken van de regering. Een enthousiaste ondernemer wordt hierdoor afgeschrikt. Het is niet duidelijk waar de prioriteit van de regering ligt. Waar kan de Kamer de staatssecretaris over een aantal jaren op afrekenen? Bestaat er een prioriteitenlijstje?
Hij ziet niet veel in het plan om een kenniscentrum MVO op te richten. Er zijn al vele adviesbureaus en brancheorganisaties die zich op dit vlak bezighouden en er zijn meerjarige onderzoekprogramma's. Welke waarden gaat het kenniscentrum hieraan toevoegen en waaraan wordt het bedrag van 1,2 mln euro besteed?

Mevrouw Karimi (GroenLinks) vindt dat de overheid zichzelf niet serieus neemt, als zij niet kiest voor wet- en regelgeving op het gebied van MVO. De aanpak van de overheid is te vrijblijvend en niet substantieel. Zij wijst op het feit dat er een aantal internationale afspraken is gemaakt. Deze zijn opgenomen in een aantal verdragen, waarin Nederland partij is, zoals de ILO-verdragen. Het gaat hierbij om universeel geldende normen, die door internationale organisaties als de OESO vertaald zijn in gedragsregels. Zij vindt dat deze regels bindend een op een dienen te worden uitgewerkt in de nationale wetgeving. De overheid weet op die manier wat zij van het bedrijfsleven mag verwachten, terwijl het bedrijfsleven weet waar het zich aan te houden heeft. Er is geen wollige taal nodig wanneer de overheid de OESO-gedragsregels bindend verklaart en uitwerkt in nationale wetgeving en deze vervolgens handhaaft. De overheid blijft op dit gebied echter in gebreke. Het gevolg is dat maatschappelijke organisaties in actie komen, bijvoorbeeld tegen een bedrijf als IHC Caland dat investeert in een land als Birma waar de internationale regels met voeten getreden worden.

De heer Douma (PvdA) is blij dat de overheid grote ambities heeft met betrekking tot MVO, maar vindt dat er onvoldoende voortgang is in het realiseren van doelen op dat terrein. IHC Caland is hiervan een goed voorbeeld. De Kamer heeft IHC Caland al eerder gevraagd om geen nieuwe activiteiten in Birma te starten maar ook om de lopende activiteiten te staken. Is de staatssecretaris bereid publiekelijk uit te spreken dat het wenselijk zou zijn dat IHC Caland haar activiteiten in Birma stopt?
Het NCP moet toezien op de naleving van de OESO-richtlijnen, maar de procedures zijn veel te traag, terwijl er geen enkele vorm van sanctionering is. Hoe denkt de staatssecretaris ervoor te gaan zorgen dat de klachten sneller door het NCP behandeld worden? Welke mogelijkheden zijn er om sanctionerend op te treden naar ondernemingen zoals IHC Caland die de OESO-richtlijn overtreden?
Hij is het eens met de opvatting dat MVO een integraal onderdeel van de bedrijfsprocessen moet zijn. Dat betekent dat er ook een rol voor de werknemers is weggelegd. Het heeft hem daarom verbaasd dat het Algemeen verbond van bouwbedrijven niet bereid is om de MVO-gedragscode met de ondernemingsraden in de bedrijven te bespreken. Kan de staatssecretaris in het onderzoeksprogramma aandacht besteden aan de betrokkenheid van werknemers bij de totstandkoming en uitvoering van MVO-gedragscodes? En hoe staat het met de vorderingen ten aanzien van de sociale randvoorwaarden die gesteld kunnen worden bij aanbesteden en in kopen? Hoe is de stand van zaken met betrekking tot de publicatie van de Raad voor de jaarverslaggeving over de wijze waarop gerapporteerd zou kunnen worden over MVO? Hoe staat de staatssecretaris tegenover het initiatiefwetsvoorstel van de heren Koenders en Vendrik om in de jaarverslagen geen inhoudelijke voorschriften op te nemen over de wijze waarop verslaggeving over MVO moet plaatsvinden maar een vormof procedurevereiste? Er is behoefte aan een wetgever die vanuit zijn verantwoordelijkheid het proces van MVO een stap verder helpt.
De brief die de staatssecretaris enkele dagen geleden aan de Kamer heeft gezonden over het kenniscentrum MVO heeft hem verbaasd. Het ontgaat hem waarom de staatssecretaris na zijn aanvankelijke grote enthousiasme nu ineens midden in het traject de stekker uit het stopcontact wil trekken.

Antwoord van de bewindslieden

De staatssecretaris van Economische Zaken benadrukt dat het bij MVO gaat over bedrijven die meer doen dan strikt wettelijk verplicht is. Hij is het ermee eens dat bedrijven zich MVO moeten eigen maken, moeten verinnerlijken. Daarnaast gaat het bij MVO ook om de rol van de overheid. De overheid moet MVO nevengeschikt stimuleren en faciliteren, in tegenstelling tot de NGO's die hierin verder kunnen gaan. Uit de monitor valt af te lezen dat op dit moment 54% van de 100 grootste bedrijven een MVO-gedragscode heeft. In 1999 was dat 38% en in 1991 slechts 22%. Er is dus sprake, van een stijgende lijn. In de gedragscodes wordt in toenemende mate aandacht besteed aan onderwerpen als mensenrechten en corruptie. Het is van groot belang dat de overheid met MVO bezig is vanuit een langjarige visie.
De brief die hij recent aan de Kamer heeft gestuurd over het kennis- centrum MVO is eveneens ingegeven door de gedachte dat voor MVO een langjarige visie nodig is. De oprichting van het kenniscentrum is een uitvloeisel van het SER-advies. De discussie over het kenniscentrum is uitvoerig gevoerd tussen de vorige Kamer en zijn ambtsvoorganger. Ondertussen is gebleken dat het niet duidelijk is welke verwachtingen het bestuur van het kenniscentrum en het ministerie van Economische Zaken ten opzichte van elkaars functioneren hebben. Het is van groot belang dat het bestuur en de directie van het kenniscentrum en het ministerie exact weten wat ze aan elkaar hebben. Hij is het eens met de kritiek van de Kamer dat de oprichting van het kenniscentrum erg lang heeft geduurd, maar hij is van mening dat zijn opvolger in politieke zin het gezicht moet worden van MVO en dat hij in een nieuw kabinet de concrete invulling van de taakverdeling tussen EZ en het kenniscentrum ter hand moet nemen. Het proces van de oprichting van het kenniscentrum volgens de Comptabiliteitswet loopt gewoon door, maar hij heeft de keuze gemaakt om inhoudelijk pas op de plaats te maken. De voorzitter van het bestuur van het kenniscentrum, met wie hij hierover van gedachten heeft gewisseld, kan zich hier geheel in vinden.
Er wordt de laatste tijd veel discussie gevoerd rondom MVO. Denk alleen maar aan de discussie over de topinkomens, de hoorzittingen van D66 over corporate governance en de bouwenquête. Ook vanuit de vakbeweging en het bedrijfsleven is er een levendige discussie gaande.
Hij is het eens met de opmerking dat de regering afgerekend moet kunnen worden op de concrete resultaten van MVO. Hij zal in de begroting voor 2004 nieuwe VBTB-indicatoren - van beleidsvoorbereiding tot beleidsverantwoording - introduceren. Op de derde woensdag in mei zal op basis van de begroting gekeken worden wat de beleidsdoelstelling was, hoeveel middelen er besteed zijn en wat het uiteindelijke resultaat is. Hij wil bij de behandeling van de begroting 2004 de discussie over de te bereiken doelen graag voeren.
Er zijn een vijftal zaken waar de overheid een inspanningsverplichting zal doen: het vergroten van de bewustwording over MVO bij bedrijven, het promoten van de OESO-richtlijnen als een normatief kader, het ontwikkelen van kennis, het stimuleren van nieuwe samenwerkingsverbanden en het stimuleren van de verslaglegging over MVO door bedrijven.
Uit een telefonische enquête die is gehouden onder 300 bedrijven van verschillende grootte kwam naar voren dat 12% van de bedrijven aan MVO doet en 80% denkt daaraan te doen. MVO zou als total quality managementconcept integraal deel uit moeten maken van het bedrijfsproces, waarbij integraal in alle stappen van het proces wordt gekeken naar de juiste mix tussen people, planet en profit.
De staatssecretaris wil als overheid nieuwe creatieve vormen van samenwerking promoten. Hij denkt aan een MVO-platform met NGO's. Deze hebben een referentiekader opgesteld om de dialoog met het bedrijfsleven aan te gaan. Het initiatief van de Consumentenbond om een index te ontwikkelen om producten te kunnen toetsen op MVO-aspecten wordt vanuit drie ministeries ondersteund. De overheid is bezig met het promoten van de OESO-richtlijnen bij seminars en dergelijke. Overigens heeft het feit dat de overheid bij het exportinstrumentarium aan bedrijven vraagt, kennis te nemen van de OESO-richtlijn Nederland internationaal kritiek opgeleverd. Vele partners in de OESO vinden dat Nederland daarmee voor de muziek uitloopt.
De staatssecretaris onderschrijft de kritiek met betrekking tot het NCP. Er is onduidelijkheid over het verloop van de procedure en de termijnen. Het NCP heeft nu voorstellen gedaan over de termijnen van het aanleveren van verslagen en het maken van afspraken. De afspraken worden binnenkort verder afgestemd met bedrijven, vakbonden en NGO's en daarna gepubliceerd. Overigens zijn de OESO-richtlijnen vrijwillig. Het is niet mogelijk om sancties op te leggen maar wel om publiekelijk aanbevelingen te doen. Het idee van het NCP is echter om in een discussie tussen klager en bedrijf vanuit de dialoog tot een oplossing voor het probleem te komen. Er is in juni een jaarvergadering van alle NCP's bij de OESO. Het NCP zal samen met de FNV het onderwerp OESO-richtlijnen inbrengen in de opleidingen voor OR-leden.
Er wordt 1,3 mln euro uitgetrokken voor twee jaar voor het onderzoeksprogramma MVO. Het gaat dan om universitaire afstemming van MVO. Er zijn recentelijk vier hoogleraren aangesteld, twee bij de Erasmusuniversiteit in Rotterdam, een bij de universiteit van Amsterdam en een bij Nyenrode. Zij worden soms financieel ondersteund door het bedrijfsleven.
De staatssecretaris zal met inachtneming van de verantwoordelijkheidsverdeling de kwestie van de leerstoel Maastricht onder de aandacht brengen van de minister of staatssecretaris van OCW.
Er is een toename in de aandacht voor het ethisch ondernemen in de curricula. Het onderzoeksprogramma heeft als randvoorwaarde dat wordt samengewerkt met het bedrijfsleven in verband met de praktische toepasbaarheid. Ook bedrijven zetten onderzoek uit bij universiteiten. Zo doen Ahold en Aegon een project met de universiteit Groningen.
Bij de bewustwordingscampagne MVO gaat het om regionale workshops for best practices vanuit de invalshoek van concrete voorbeelden. De CD-Rom van de KvK Utrecht geeft praktische voorbeelden wat bedrijven kunnen doen aan MVO. Hier ligt een rol voor het kenniscentrum MVO. Het kenniscentrum heeft ook een taak om de kennis die bij het grootbedrijf is opgedaan aan het MKB ter beschikking te stellen.
Er is gesproken over verantwoord inkopen door de overheid. Er is door het Bureau duurzaam inkopen ervaring opgedaan met mitieucriteria. De sociale criteria moeten verder uitgewerkt worden binnen de Europese aanbestedingsregels. De staatssecretaris heeft in november bij de behandeling van de begroting toegezegd dat er medio 2003 een plan van aanpak zal zijn. De fundamentelere arbeidsnormen van het ILO lijken goed werkbaar.
Er is ook gesproken over wetgeving met betrekking tot maatschappelijke verslaglegging. De initiatiefwet is formeel een zaak van de Kamer. De regering zal te zijner tijd bij de indiening ervan de Kamer adviseren bij de plenaire behandeling. De Raad van State zou inmiddels een advies hebben gegeven op de wet dat niet onverdeeld positief is. De staatssecretaris deelt de mening van de SER-voorzitter, die tegen een wettelijke verplichting is. Hij ziet meer in een dialoog. De Europese continentale cultuur is een waardencultuur. Het jaarverslag moet een getrouw beeld geven van de positie van de onderneming. Hierdoor wordt meer ruimte gegeven aan ontwikkelingen met betrekking tot normering. MVO verschilt naar tijd en plaats. Dat brengt hem bij de internationale aspecten van MVO. Het is niet mogelijk om de eigen wetgeving te exporteren naar andere landen. De universele waarden zijn vastgelegd in de richtlijnen voor bedrijven. De overheid heeft deze richtlijnen in het export-instrumentarium meegenomen. De ILO-verdragen zijn al vertaald in Nederlandse wetgeving, maar India moet dat voor het eigen land doen. De Nederlandse regering doet veel aan het promoten van de OESO-richtlijnen. Hij vindt het jammer dat hij in de afgelopen maanden niet meer effort in deze zaak heeft kunnen stoppen.

Nadere gedachtewisseling

De heer De Krom (VVD) is het niet eens met de gang van zaken met betrekking tot het kenniscentrum.

De heer Douma (PvdA) merkt op dat de essentie van het initiatiefwetsvoorstel is om de ondernemingen te vragen transparant te zijn over wat zij doen zonder precieze inhoudelijke voorschriften te geven. Dit sluit aan bij de continentale traditie.
Een land als Birma houdt zich niet aan een aantal internationale richtlijnen op het gebied van dwangarbeid en dergelijke. Hij vindt de Nederlandse houding ten opzichte van het overtreden van deze richtlijnen door Birma veel te passief.

De staatssecretaris van Economische Zaken zal bij gelegenheid graag de discussie over het initiatiefwetsvoorstel-Koenders/Vendrik voeren.
De Nederlandse regering ontmoedigt handel met en investeringen in Birma en raadt financiële instellingen en IHC Caland aan om zich bij het opereren in Birma volledig aan de OESO-richtlijnen te houden. Hierover vindt overleg plaats tussen IHC en de vakbeweging in het kader van het NCP. IHC Caland heeft reeds investeringen gedaan in Birma, maar heeft op verzoek van de vorige staatssecretaris toegezegd geen uitbreidingsinvesteringen te zullen doen. Het is niet mogelijk om buiten de VN en de Europese Unie om een formele boycot tegen een land in te stellen.

KST68156
0203tkkst27467-10
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
's-Gravenhage 2003
De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,
De Grave

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,
De Haan

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,
Tielens-Tripels







Tweede Kamer, vergaderjaar 2002-2003, 27 467, enz., nr. 10



pagina VERANTWOORD ONDERNEMEN
   
begin document

Landelijke India Werkgroep - 2 april 2004