terug

Tweede Kamer der Staten-Generaal


Vergaderjaar 2004-2005



29 439

26 485
Ondernemen in conflictgebieden

Maatschappelijk verantwoord ondernemen



Nr. 4




1 Samenstelling:
Leden: Crone (PvdA), Bakker (D66), Hofstra (VVD), voorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), ondervoorzitter, Atsma (CDA), Timmermans (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Ten Hoopen (CDA), Slob (ChristenUnie), Van den Brink (LPF), Duyvendak (GroenLinks), Kortenhorst (CDA), Hessels (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Varela (LPF), Algra (CDA), Aptroot (VVD), Blom (PvdA), Smeets (PvdA), Douma (PvdA), De Krom (VVD), Heemskerk (PvdA), Van Dam (PvdA), Dezentjé Hamming (VVD), Van Egerschot (VVD), Jonker (CDA).
Plv. leden: Tichelaar (PvdA), Dittrich (D66), Örgü (VVD), De Nerée tot Babberich (CDA), Van Hijum (CDA), Koenders (PvdA), Vos (GroenLinks), Joldersma (CDA), Van der Vlies (SGP), Hermans (LPF), Van Gent (GroenLinks), Verburg (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Ruiter (SP), Van As (LPF), De Haan (CDA), Blok (VVD), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Van Heteren (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Tjon-A-Ten (PvdA), Waalkens (PvdA), Szabó (VVD), Weekers (VVD), Van Dijk (CDA).
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG
Vastgesteld 16 december 2004

De vaste commissie voor Economische Zaken1 heeft op 18 november 2004 overleg gevoerd met staatssecretaris Van Gennip van Economische Zaken over:
- de NCP-verklaring vraagstuk IHC Caland (29 439, unr. 2);
- het jaarverslag van het NCP (Nationaal Contactpunt voor Multinationale Ondernemingen (EZ-04-462);
- de brief van de staatssecretaris over maatschappelijk verantwoord ondernemen (26 485, nr. 29);
- de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken d.d. 15 november 2004 inzake de resultaten van de Transparantiebenchmark 2004 (26 485, nr. 30).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissie

De heer De Krom (VVD) waardeert het enthousiasme waarmee de staatssecretaris duurzaam ondernemen of maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) promoot, en kan zich vinden in hetgeen zij gezegd heeft bij de Europese conferentie over corporate social responsibility (CSR). Het is ook in het belang van bedrijven zelf om duurzaam ondernemen tot bedrijfsstrategie te maken. Voor grote ondernemingen zal het wellicht gemakkelijker zijn om over te gaan tot duurzaam ondernemen dan voor kleine, maar uiteindelijk heeft duurzaam ondernemen ook te maken met goed ondernemerschap omdat hierdoor aanzienlijke energiebesparingen bereikt kunnen worden. Het Kenniscentrum MVO zal in dit verband moeten gaan zorgen voor voorlichting en kennisoverdracht. Wanneer zal het Kenniscentrum als succesvol aangemerkt kunnen worden? En hoe kan voorkomen worden dat het Kenniscentrum gaat concurreren met commerciële adviesbedrijven? De heer De Krom gaat er overigens vanuit dat de subsidie van het Kenniscentrum geleidelijk wordt afgebouwd en dat de Kamer jaarlijks over de activiteiten van het centrum wordt gerapporteerd.
In de Transparantiebenchmark zegt de staatssecretaris dat zij duurzaam ondernemen uit de sfeer van vrijblijvendheid wil halen. Het zou echter haaks staan op het kabinetsbeleid om de regeldruk en de administratieve lastendruk te verminderen, als er op dit punt weer allerlei regeltjes voor bedrijven worden opgesteld. Duurzaam ondernemen mag gestimuleerd en gefaciliteerd worden, maar de verantwoordelijkheid om daartoe over te gaan, moet bij de bedrijven gelaten worden. Wie heeft overigens gevraagd om het aangekondigde duurzaamheidsverslag? Dit mag in ieder geval geen glossy brochure worden waarover iedereen zijn waardering uitspreekt, maar dat vervolgens in een la verdwijnt. Het is begrijpelijk dat de staatssecretaris het goede voorbeeld wil geven, maar dat kan zij beter doen door ervoor te zorgen dat ondernemers fatsoenlijk kunnen ondernemen en winst kunnen maken. In dit licht herinnert de heer De Krom er onder meer aan dat de bedrijfsinvesteringen de afgelopen drie jaar fors zijn gekrompen, dat de economische groei in Nederland achterblijft bij het Europese gemiddelde, dat de werkloosheid sterker is gestegen dan in de rest van Europa, dat het BBP veel minder groeit dan in andere landen en dat in 2003 29% meer bedrijven failliet zijn gegaan dan in 2002. Bovendien is het starten van een bedrijf in Nederland vaak heel lastig door de ingewikkelde vergunning procedures, wordt het permanent in dienst nemen van personeel bemoeilijkt door inflexibele bepalingen in het arbeidsrecht etc. Die maatschappelijk zeer ongewenste trends moeten omgebogen worden, want gezonde bedrijven zijn de kurk waar Nederland op drijft.

De heer Douma (PvdA) vindt ook dat Nederland belang heeft bij een sterk bedrijfsleven. MVO kan hier een bijdrage aan leveren, maar het is de vraag of dit een vrijwillige zaak moet blijven. Uit de Transparantiebenchmark en andere rapporten blijkt namelijk dat een kleine groep bedrijven veel doet aan MVO, dat een grote groep bedrijven alleen maar zit te kijken of zij wat aan MVO kunnen doen en dat een nog grotere groep bedrijven hier gewoon helemaal niets aan doet. De reactie van bedrijven op de brief waarin de staatssecretaris vraagt om alsnog vrijwillig over te gaan tot MVO, is ook niet hoopgevend. Er lijkt dus reden te zijn om stappen te gaan zetten. Het valt overigens te waarderen dat het Nederlandse voorzitterschap een Europese conferentie over CSR heeft belegd. Bekeken moet worden of er in Europees verband nadere regelgeving kan worden opgesteld voor MVO. Wellicht kan de OESO-gedragscode verankerd worden in de Europese international accounting standards (IAS).
Uit het jaarverslag van het Nationaal contactpunt voor multinationale ondernemingen (NCP) blijkt dat klachten over overtreding van de OESO-gedragscode door bepaalde bedrijven niet ontvankelijk zijn verklaard op grond van het feit dat die bedrijven in de aangedragen zaken geen investeringsrelatie zouden hebben. Dat geldt bijvoorbeeld voor de activiteiten van Chemie Pharmacie Holland (CPH) in Congo. In de aanklacht is echter aangetoond dat CPH ook betrokken was bij de financiering, de logistiek en dergelijke. Aangezien de OESO-gedragscode ook ziet op de aanwezigheid van ketenverantwoordelijkheid, is volstrekt onduidelijk waarom de aanklacht tegen CPH niet ontvankelijk is verklaard. Overigens kan pas verwacht worden dat de consument een rol speelt bij MVO, als de verslaglegging van bedrijven transparanter is dan thans.
Aangezien er nog weinig voortgang wordt gemaakt met duurzaam inkopen, wil de heer Douma weten hoe het staat met het actieplan Professioneel inkopen en aanbesteden (PIA). Verder merkt hij op dat het, ondanks de eisen die op het punt van MVO zijn gekoppeld aan het Financieel Buitenland Instrumentarium, bijvoorbeeld niet duidelijk is of ondernemingen in bepaalde landen gebruikmaken van kinderarbeid. Wellicht kunnen de NGO's wel informatie daaromtrent verstrekken.

Mevrouw Jonker (CDA) merkt op dat niet alleen door de overheid, maar ook door particuliere bedrijven en maatschappelijke organisaties vormgegeven moet worden aan MVO. Een en ander dient te geschieden op basis van vrijwilligheid, maar er mag geen sprake zijn van vrijblijvendheid. Uit het jaarverslag van het NCP ontstaat het idee dat het NCP een traag en bureaucratisch platform is. De door het NCP zelf voorgestelde aanpak van het tijdsmanagement en de promotie van richtlijnen voor MVO en de OESO-gedragscode lijkt niet te leiden tot oplossing van het probleem. Van de elf klachten die sinds 2000 bij het NCP zijn ingediend, worden er zes als afgehandeld beschouwd. Daarvan is er slechts één door het NCP zelf aangepakt. Over de aanpak van de overige vijf zaken is noch procedureel, noch inhoudelijk iets bekend. Op grond van welke criteria worden klachten trouwens ontvankelijk verklaard? Al met al is het de vraag wat de meerwaarde van het NCP is, zowel kwantitatief als kwalitatief. Uit de verklaring van het NCP blijkt overigens dat IHC Caland het nodige heeft gedaan om de situatie in Birma aan de orde te stellen. Vraag is of multinationale ondernemingen al voordat er een klacht wordt ingediend bij het NCP, zelf contact kunnen opnemen met het NCP over dilemma's die zij in conflictgebieden ervaren. Als dat niet het geval is, verdient het aanbeveling om dit mogelijk te maken.
Eind november gaat het Kenniscentrum MVO van start. Mevrouw Jonker verwacht trouwens dat het Kenniscentrum en het NCP over en weer kennis en expertise uitwisselen. Het Kenniscentrum moet bedrijven, ondernemingsraden, consumenten en NGO's pro-actueel benaderen. Het Kenniscentrum moet echt gaan aanjagen, enthousiasmeren en bewust maken waar het gaat om MVO. Verder moet het Kenniscentrum bijdragen aan het maken van een onderscheid tussen MVO in leefomgeving, MVO in productie en beleid en MVO in het buitenland.
De Transparantiebenchmark voldoet als een nulmeting. Echter, niet transparantie maar MVO is het doel. In dit verband is het de vraag hoe het staat met MVO bij de overheid en in hoeverre zij daarover rapporteert in haar jaarverslagen. Hoe staat het overigens met de implementatie van MVO in het MKB? Wanneer zullen de initiatieven voor een Nederlandse MVO-beursindex concrete resultaten te zien geven? En kan de staatssecretaris van VROM aangespoord worden om, zoals toegezegd, nog voor het eind van het jaar te rapporteren over de stand van zaken van duurzaam inkopen bij de overheid, zowel nationaal als Europees? Verder zou mevrouw Jonker het op prijs stellen om een overzicht te ontvangen van alle MVO-projecten, waarbij ook is aangegeven in hoeverre de ministeries van Buitenlandse Zaken en voor Ontwikkelingssamenwerking, van BZK en van LNV hierbij betrokken zijn en wat de stand van zaken is van die projecten.

Het antwoord van de staatssecretaris

De staatssecretaris merkt op dat zij niet alleen streeft naar MVO, maar ook werkt aan verbetering van het ondernemingsklimaat in Nederland en dat de eerste gevolgen daarvan zich beginnen af te tekenen. Zij verwijst hierbij naar de Industriebrief, de Ondernemerschapsbrief en de initiatieven voor verbetering van het ondernemingsklimaat. Ondernemers hebben echter ook verantwoordelijkheden, zoals MVO. MVO is evenwel ook lonend voor ondernemers, bijvoorbeeld omdat werknemers liever bij een bedrijf werken dat aan MVO doet, en investeerders liever in duurzame bedrijven investeren. Bovendien zal de energierekening van bedrijven die aan MVO doen, beduidend omlaag gaan. Uit de CSR-conferentie begin november, de lancering van het Kenniscentrum MVO en de Transparantiebenchmark blijkt dat de overheid zich volop inzet om bedrijven te interesseren voor MVO. De staatssecretaris voelt er overigens niet voor om bedrijven middels regelgeving te verplichten tot MVO. Bedrijven moeten daar uit zichzelf vorm aan gaan geven. Daarnaast moeten zij transparantie betrachten, omdat zij anders niet aangesproken kunnen worden op wat zij aan MVO doen. De brief waarin bedrijven erop zijn gewezen dat MVO en transparantie hand in hand moeten gaan, heeft overigens inderdaad de nodige discussie losgemaakt.
Bedrijven die goed presteren op het gebied van transparantie, blijken dat ingevolge de Transparantiebenchmark te blijven doen, waaruit kan worden afgeleid dat zij er kennelijk het nut van inzien. In de MVO-meting van begin 2003 heeft 70% van de bedrijven aangegeven aan MVO te doen. Daarbij dient echter te worden opgemerkt dat nog niet precies is omschreven wat MVO inhoudt. Het Kenniscentrum MVO moet hier nader invulling aan geven, met name voor het MKB. Het Kenniscentrum moet MKB-bedrijven ook stimuleren, faciliteren en inspireren aan de hand van voorbeelden van bedrijven die al succes hebben geboekt met MVO, zoals de modeketen Cora Kemperman. De staatssecretaris heeft het afgelopen jaar ook niet alleen aan grote bedrijven prijzen uitgereikt voor hun inspanningen op het gebied van MVO, maar ook aan kleinere, waaronder een bedrijf dat na een melding bij het NCP meer overgaat op MVO. De Kamer kan trouwens, desgevraagd, een overzicht tegemoet zien van alle MVO-projecten en de betrokkenheid daarbij van de diverse ministeries. Het is trouwens ook een taak van de overheid om zaken die op het terrein van MVO spelen, zowel Europees als internationaal, te agenderen. Duurzaam ondernemen is een begrip in ontwikkeling. Een aantal jaren geleden vielen hier meer zaken onder dan nu. Duurzaam ondernemen wordt nu overigens vooral aangeduid als MVO. Tijdens de Europese CSR-conferentie is gebleken dat sommige landen zich in het kader van MVO vooral focussen op mensenrechten en arbeidsomstandigheden, terwijl andere landen zich met name op het milieu richten. Er begint zich echter een afstemming af te tekenen tussen wat landen hieronder verstaan, terwijl er bij bedrijven per sector een convergentie plaatsvindt. Aangezien per sector een andere invulling aan MVO gegeven kan worden, is het trouwens niet goed mogelijk om dit begrip in wetgeving onder te brengen.
Aan de door het ministerie van EZ in samenwerking met de ministeries voor Ontwikkelingssamenwerking, van SZW, van VROM en van LNV georganiseerde CSR-conferentie hebben stakeholders, bedrijven, NGO's, vakbonden, academici, jongeren en vertegenwoordigers van ontwikkelingslanden deelgenomen. Met name de laatste groep is van belang om MVO wereldwijd een begrip te laten worden. Gelukkig beginnen niet-westerse bedrijven in de wat sterker opkomende markten zich te realiseren dat zij aan CSR moeten doen als zij met een westers bedrijf zaken willen doen. Immers, een westers bedrijf zal er in het land van herkomst op aangesproken worden wanneer het zaken doet met een bedrijf dat zich niet aan de OESO-richtlijnen houdt. Overigens meent de staatssecretaris dat aan bedrijven in de minst ontwikkelde landen niet dezelfde eisen gesteld kunnen worden als aan westerse bedrijven, omdat mensen nu eenmaal eerst een volle maag moeten hebben voordat zij zich druk kunnen maken over volgende stappen. Het is aan de WTO om hier nader op in te gaan.
Uit het verslag van de CSR-conferentie, dat de Kamer nog zal ontvangen, zal blijken dat de conferentie heeft bijgedragen aan het op Europees niveau gestalte geven aan het MVO-beleid. Geconcludeerd is dat de Europese Commissie gevraagd zal worden om in de loop van 2005 te komen met voorstellen voor een Europees MVO-beleid, dat de business case voor MVO over het voetlicht gebracht moet worden en erkenning moet krijgen van bedrijven, NGO's en investeerders, dat CSR ook een onderdeel moet worden van de Raad voor Concurrentievermogen en dat transparantie op het gebied van MvO van groot belang is. Algemeen is erkend dat MVO niet middels regelgeving gestalte moet krijgen. Verder is onder meer benadrukt dat MVO opgenomen moet worden in het onderwijs aan de toekomstige generaties en dat de consument ook op MVO aangesproken moet worden. Voorts is tijdens de conferentie gebleken dat Nederland in Europa voorop loopt met MVO en dat Europa hier in de wereld mee vooroploopt. Nederland moet er als koploper overigens voor zorgen dat de middengroep aansluiting kan blijven vinden.
Het is nog niet geheel duidelijk waar bedrijven door het NCP op aangesproken kunnen worden, waar het gaat om de OESO-richtlijnen. Tot nu toe wordt er daarbij van uitgegaan dat er sprake moet zijn van een investeringsrelatie, maar wellicht kan de handelsrelatie ook een rol spelen. Aangezien Nederlandse bedrijven bereid lijken te zijn om de handelsrelatie ook onder de OESO-richtlijnen te brengen, heeft Nederland daartoe een voorstel gedaan bij de OESO. Het zal echter de nodige tijd kosten, voordat er op dit punt concrete stappen kunnen worden gezet. Aangezien dit een bijzonder technische kwestie is, zal een en ander nader schriftelijk uiteengezet worden. Overigens zijn er in totaal elf vraagstukken bij het NCP aangedragen. Daarvan zijn er in de afgelopen rapportageperiode zes afgerond en vier in de periode daarvoor. Er resteert dus nog slechts één vraagstuk. De afhandeling hiervan wordt bemoeilijkt doordat het betrokken bedrijf failliet is gegaan. Als er op redelijke termijn geen reactie komt van de curator, dan zal het NCP met eigen conclusies komen. Verder moet nog vermeld worden dat, als een vraagstuk betrekking heeft op een land dat zelf een NCP heeft, het in dat land wordt afgehandeld. De meerwaarde van het NCP is gelegen in het faciliteren van de dialoog over MVO in een relatief beschermde omgeving en het bij elkaar aan tafel brengen van partijen. Hiermee zijn al positieve ervaringen opgedaan. Verder wordt er gestreefd naar een internationaal level playing field.
In mei is door het NCP een eindverklaring opgesteld naar aanleiding van de vraag van het NiZA (Nederlands instituut voor Zuidelijk Afrika) over de activiteiten van CPH in Congo. Er zijn gesprekken gevoerd met het bedrijf en met de vragenstellers. Vervolgens heeft er een tripartiet gesprek plaatsgevonden, waarin de reikwijdte van de OESO-richtlijnen aan de orde is gekomen. De OESO heeft bevestigd dat handel en diensten, voor zover die plaatsvinden in een investeringscontext, onder de OESO-richtlijnen vallen. Aangezien bij de activiteiten van CPH in Congo geen sprake bleek te zijn van een investeringscontext volgens de definitie van de OESO, zijn de OESO-richtlijnen in dit geval niet van toepassing. In de periode oktober 1999-maart 2002 heeft CPH logistieke, financiële en adviserende diensten geleverd aan EWRI (Eagles Wings Resources International), een bedrijf met kantoren in Congo, Rwanda en Burundi, dat handelde in ertsen afkomstig uit Oost-Afrika. In opdracht van EWRI maakte CPH geld over naar banken in Kigali en Bujumbura, waarmee EWRI de leveranciers betaalde. Verder verzorgde CHP onder meer het transport van het erts vanuit Kigali via Rotterdam naar de eindbestemming. CPH bezat echter geen kantoren in die landen en was ook geen eigenaar van de goederen, waardoor er volgens de definitie geen sprake is van verleende diensten in een investeringscontext. Het NCP heeft gemeld, hier geen formele uitspraken over te kunnen doen, maar wel lessen te kunnen trekken voor de toekomst, met name op het punt van de ketenverantwoordelijkheid. Naar aanleiding van dit hele proces heeft CPH evenwel kennisgenomen van de OESO-richtlijnen en heeft het ook beloofd deze bij zakenrelaties onder de aandacht te brengen.
Het Kenniscentrum MVO dat op 24 november geopend wordt, zal met name kennis over MVO vergaren voor het MKB en stimulansen doen uitgaan aan de hand van goede voorbeelden. Het Kenniscentrum kan als een succes worden beschouwd, als het aantal bedrijven dat aan MVO doet, toeneemt. Overigens loopt de subsidie voor het Kenniscentrum eind 2008 af, waarna het zichzelf zal moeten bedruipen. Voorts staat in de statuten dat het Kenniscentrum niet mag concurreren met marktpartijen. Momenteel is 20% van de overheidsaanbestedingen duurzaam van aard. De staatssecretaris van VROM zal voor het eind van het jaar rapporteren over de stand van zaken van duurzaam inkopen bij de overheid. Bij het ministerie van EZ is milieu bijvoorbeeld een standaard bij aanbestedingen. In het kader van het actieplan PIA worden als extra taakstelling de duurzaamheidscriteria uit het Programma inkoop taakstelling meegenomen. Lokale overheden worden middels het programma Met preventie naar duurzaam ondernemen aangemoedigd. Verder wordt onderzoek gedaan naar sociale criteria voor inkopers en komt er een maatschappelijk verslag van het ministerie van EZ. In het kader van het Financieel Buitenland Instrumentarium worden voorts subsidieaanvragen voor projecten vooraf getoetst aan de MVO-criteria. Aangezien de betrokken bedrijven ook vooraf de OESO-richtlijnen moeten onderschrijven, kunnen zij er, indien nodig, achteraf op aangesproken worden dat zij zich daar niet aan gehouden hebben en kan ook de substdie teruggevorderd worden.

Nadere gedachtewisseling

De heer Douma (PvdA) waardeert het dat de staatssecretaris zich wil inzetten om meer helderheid te krijgen over de interpretatie van de OESO-richtlijnen. Wat er bij CPH is gebeurd, kan namelijk eigenlijk niet door de beugel. MVO en transparantie gaan inderdaad hand in hand, maar dat is een reden te meer om regels op te stellen voor een goede verslaglegging. Hier zal te zijner tijd echter op teruggekomen kunnen worden. Tot slot doet de heer Douma de suggestie om voor een goede toepassing van het Financieel Buitenland Instrumentarium gebruik te maken van de kennis van NGO's.

Mevrouw Jonker (CDA) wil dat niet alleen het ministerie van EZ, maar ook alle andere ministeries verantwoording afleggen over wat zij aan MVO gedaan hebben. Verder krijgt zij nog graag een antwoord op de vraag of multinationale ondernemingen zelf, voordat er een klacht is ingediend bij het NCP, contact kunnen opnemen met het NCP als zij dilemma's ervaren in het buitenland. Als dat niet het geval is, is het de vraag waar die bedrijven dan terecht kunnen met hun vragen terzake.

De staatssecretaris vindt het een goed idee om alle departementen te vragen, verantwoording af te leggen over hun inspanningen op het terrein van MVO. Verder merkt zij op dat bedrijven, als zij vragen hebben over ondernemingen in het buitenland, zich niet zozeer tot het NCP, maar tot het Kenniscentrum MVO zouden moeten wenden. Het NCP vervult meer de rol van scheidsrechter. Mocht blijken dat het Kenniscentrum bedrijven niet goed van de gewenste informatie kan voorzien, dan komt de staatssecretaris hier nader op terug. Overigens moeten het Kenniscentrum en het NCP natuurlijk informatie uitwisselen.
Het NCP heeft niet geconcludeerd dat CPH onjuist heeft gehandeld. Bovendien heeft CPH inmiddels toegezegd dat het in de toekomst aandacht zal besteden aan MVO en de OESO-richtlijnen onder de aandacht van zijn buitenlandse partners zal brengen. Hier zal in de toegezegde brief nader op worden ingegaan. Overigens krijgt de consument al heel veel informatie over de mate waarin bedrijven aan MVO doen. Het is aan de consumentenorganisaties om de informatie die zij van diverse kanten krijgen, goed aan de consument door te geven.

KST82646
0405tkkst29439-4
ISSN 0921 - 7371
Sdu Uitgevers
's-Gravenhage 2004
De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,
Hofstra

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,
Tielens-Tripels







Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 29 439 en 26 485, nr. 4



pagina VERANTWOORD ONDERNEMEN
   
begin document

Landelijke India Werkgroep - 16 februari 2005