terug

Tweede Kamer der Staten-Generaal


Vergaderjaar 2004-2005



26 485
Maatschappelijk verantwoord ondernemen



Nr. 36




1 Samenstelling:
Leden: Crone (PvdA), Bakker (D66), Hofstra (VVD), voorzitter, Schreijer-Pierik (CDA), ondervoorzitter, Atsma (CDA), Timmermans (PvdA), Vendrik (GroenLinks), Ten Hoopen (CDA), Weekers (VVD), Slob (ChristenUnie), Van den Brink (LPF), Kortenhorst (CDA), Hessels (CDA), Gerkens (SP), Van Velzen (SP), Varela (LPF), Algra (CDA), Aptroot (VVD), Blom (PvdA), Smeets (PvdA), Douma (PvdA), De Krom (VVD), Heemskerk (PvdA), Van Dam (PvdA), Dezentjé Hamming (VVD), Jonker (CDA), Jungbluth (GroenLinks).
Plv. leden: Tichelaar (PvdA), Dittrich (D66), Örgü (VVD), De Nerée tot Babberich (CDA), Van Hijum (CDA), Koenders (PvdA), Duyvendak (GroenLinks), Joldersma (CDA), Van Egerschot (VVD), Van der Vlies (SGP), Hermans (LPF), Verburg (CDA), Van Vroonhoven-Kok (CDA), De Ruiter (SP), Van As (LPF), De Haan (CDA), Blok (VVD), Samsom (PvdA), Van Dijken (PvdA), Van Heteren (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Tjon-A-Ten (PvdA), Waalkens (PvdA), Szabó (VVD), Van Dijk (CDA), Van Gent (GroenLinks).

2 Samenstelling:
Leden: Rijpstra (VVD), Dijksma (PvdA), De Haan (CDA), voorzitter, Koenders (PvdA), Karimi (GroenLinks), Timmermans (PvdA), ondervoorzitter, Van Bommel (SP), Albayrak (PvdA), Geluk (VVD), Wilders (Groep Wilders), Van Baalen (VVD), Van As (LPF), Herben (LPF), Ormel (CDA), Ferrier (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Huizinga-Heringa (ChristenUnie), Van Velzen (SP), De Nerée tot Babberich (CDA), Van Dijk (CDA), Fierens (PvdA), Tjon-A-Ten (PvdA), Eijsink (PvdA), Van der Laan (D66), Brinkel (CDA), Szabó (VVD), Jonker (CDA), Nijs (VVD).
Plv. leden: Snijder-Hazelhoff (VVD), Dubbelboer (PvdA), Van Fessem (CDA), Samsom (PvdA), Vos (GroenLinks), Arib (PvdA), De Wit (SP), Leerdam (PvdA), Van Miltenburg (VVD), Hirsi Ali (VVD), Varela (LPF), Van den Brink (LPF), Haverkamp (CDA), Rambocus (CDA), Halsema (GroenLinks), Van der Staaij (SGP), Kant (SP), Eski (CDA), Çörüz (CDA), Wolfsen (PvdA), Duivesteijn (PvdA), Waalkens (PvdA), Dittrich (D66), Van Winsen (CDA), Veenendaal (VVD), Kortenhorst (CDA), Oplaat (VVD).

3 Samenstelling:
Leden: Van der Vlies (SGP), ondervoorzitter, Vos (GroenLinks), Cornielje (VVD), Buijs (CDA), Van Beek (VVD), Schreijer-Pierik (CDA), voorzitter, Atsma (CDA), Oplaat (VVD), Mosterd (CDA), Waalkens (PvdA), Snijder-Hazelhoff (VVD), Verbeet (PvdA), Van den Brink (LPF), Vergeer (SP), Herben (LPF), Tichelaar (PvdA), Ormel (CDA), Duyvendak (GroenLinks), Koopmans (CDA), Van der Ham (D66), Van Velzen (SP), Koomen (CDA), Boelhouwer (PvdA), Douma (PvdA), Dubbelboer (PvdA), Kruijsen (PvdA), Nijs (VVD).
Plv. leden: Slob (ChristenUnie), Vendrik (GroenLinks), Örgü (VVD), Spies (CDA), Dezentjé Hamming (VVD), Mastwijk (CDA), Ten Hoopen (CDA), Hofstra (VVD), Samsom (PvdA), De Krom (VVD), Duivesteijn (PvdA), Eerdmans (LPF), Van As (LPF), Van Heteren (PvdA), Van Lith (CDA), Van Gent (GroenLinks), Van Bochove (CDA), Van der Laan (D66), Gerkens (SP), Jager (CDA), Timmer (PvdA), Depla (PvdA), Fierens (PvdA), Verdaas (PvdA), Veenendaal (VVD).
VERSLAG VAN EEN ALGEMEEN OVERLEG
Vastgesteld 5 augustus 2005

De vaste commissie voor Economische Zaken1, de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken2 en de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit3 hebben op 15 juni 2005 overleg gevoerd met staatssecretaris Van Gennip van Economische Zaken over:
- Maatschappelijk verantwoord ondernemen (26 485, nrs. 32 en 34);
- Verslag EU-conferentie Corporate Social Responsibility (26 485, nr. 33).

Van dit overleg brengen de commissies bijgaand beknopt verslag uit.

Vragen en opmerkingen uit de commissies

Mevrouw Jonker (CDA) breekt een lans voor meer durf en bezieling bij bedrijven en overheidsinstanties voor maatschappelijk verantwoord ondernemen. Dit vereist een cultuuromslag en een vernieuwende, actieve en creatieve manier van denken die focust op de kansen van duurzaam ondernemen in plaats van op moeilijkheden. De overheid heeft een voorbeeldfunctie, maar laat te veel na om daarnaar te handelen. Het beleid blijkt vaak stroperig en is te vrijblijvend. De overheid dient vaker gebruik te maken van instrumenten van soft law, zoals het verlenen van voorrang bij overheidsopdrachten aan bedrijven die bewust en duurzaam produceren.
Mevrouw Jonker wil dat duurzaamheid een rol speelt bij alle inkopen en aanbestedingen van de rijksoverheid, dus niet slechts bij de nagestreefde 50% daarvan. Vele individuele burgers blijken bereid om extra te betalen voor verantwoorde producten, maar moeten wel in staat zijn om deze als zodanig te beoordelen. Ketentransparantie moet daarom worden bevorderd en productinformatie moet worden verbeterd. Door voorlichting kan het bewustzijn worden vergroot.

De heer Vendrik (GroenLinks) vermoedt dat het kabinet het belang van maatschappelijk verantwoord ondernemen wel inziet, maar in de praktijk beperkt het beleid zich grotendeels tot goede intenties die gepaard gaan met grote vrijblijvendheid. Het is aan de overheid om de talrijke dilemma's te doorbreken waarmee individuele consumenten en bedrijven worden geconfronteerd als zij maatschappelijk verantwoord willen consumeren en produceren. Zo blijkt de markt grote behoefte te hebben aan productietransparantie. De overheid neemt evenwel nauwelijks initiatieven om die te bevorderen, terwijl er mogelijkheden genoeg zijn: productietransparantie en duurzaamheid een wettelijk verplicht onderdeel maken van jaarverslagen, versterking van de positie van accountants en controle van overheidswege van duurzaamheidclaims.
De vele vormen van zelfverrijking aan de top van bedrijven beschouwt de heer Vendrik als evenzovele voorbeelden van maatschappelijk ónverantwoord ondernemen. De exorbitante stijging van topinkomens is in zijn analyse symptomatisch voor het nieuwe type bedrijfsleven dat in Nederland de overhand krijgt: Amerikaans getint, fiscaal-financieel van karakter, sterk gericht op overnames en fusies en zeker niet innovatief. Het ligt voor de hand dat maatschappelijk verantwoord ondernemen voor dergelijke bedrijven weinig prioriteit heeft. De heer Vendrik roept de staatssecretaris op om in Nederland een fundamenteel moreel debat te starten over de aard en de verantwoordelijkheden van het Nederlandse bedrijfsleven. Ook stelt hij voor om, analoog aan het Innovatieplatform, een Nederlands platform voor maatschappelijk verantwoord ondernemen op te zetten. Kortom, het is de hoogste tijd voor daadkracht. Met haar aanbestedingsbeleid heeft de overheid een krachtig instrument in handen om maatschappelijk verantwoord ondernemen te stimuleren. Hoe staat het daarmee?

De heer Douma (PvdA) heeft waardering voor het Nederlandse initiatief om via de Europese conferentie het maatschappelijk verantwoord ondernemen op de Europese agenda te zetten, maar concrete resultaten waren er nauwelijks. Nederland kent een aantal koplopers op dit terrein, maar het algemene beeld kenmerkt zich door stagnatie en een gebrek aan urgentiebesef. De consument kan zijn belangrijke rol, door de conferentie zo benadrukt, alleen waarmaken als hij over voldoende informatie beschikt over de duurzaamheid van producten en productieprocessen en het maatschappelijk verantwoorde karakter van ondernemingen. Om in de informatiebehoefte van de consument te voorzien, is actief ingrijpen van de overheid noodzakelijk, bijvoorbeeld door wettelijke eisen aan de jaarverslag legging. Uit de ondernemerswereld hoeft men weinig initiatieven te verwachten op het gebied van duurzaamheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen: bedrijven beperken zich doorgaans tot het strikt naleven van de wetgeving van de landen waarin zij opereren, schuiven hun morele verantwoordelijkheid af naar de lokale overheden en zijn alleen bereid om iets extra's te doen als dit meer winst oplevert. De heer Douma wijst in dit verband op de lobby van belangrijke Britse maatschappelijke organisaties voor "duty of care": een zorgplicht voor ondernemingen voor milieu, omgeving, goed werkgeverschap en dergelijke. Een dergelijke beweging ziet hij ook graag in Nederland opkomen.
De heer Douma wijst op de flagrante schending van vakbondsrechten en het bestaan van dwangarbeid in Birma/Myanmar. De ILO roept lidstaten op om hun economische betrekkingen met dit land te herzien; dit is feitelijk een oproep tot economische boycot of economische sancties. In hoeverre zijn er Nederlandse initiatieven te verwachten?

Het antwoord van de staatssecretaris

De staatssecretaris vindt maatschappelijk verantwoord ondernemen een vanzelfsprekende verantwoordelijkheid voor het Nederlandse bedrijfsleven. Zij ziet geen primaire rol voor de overheid weggelegd bij de bevordering van het bewustzijn van consumenten. Ook is het in eerste instantie aan bedrijven zelf om zich te profileren met hun activiteiten op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen. Uit de keuze van de overheid voor vrijwilligheid vloeit echter geen vrijblijvendheid voort. De staatssecretaris kiest bewust niet voor algemeen geldende codes voor het gehele Nederlandse bedrijfsleven omdat de mogelijkheden en behoeften in de verschillende sectoren tezeer uiteenlopen. De ervaring leert overigens dat initiatieven op dit terrein beter werken als ze uit de bedrijven zelf komen: dan is maatschappelijk verantwoord ondernemen het meest authentiek en inspirerend voor bedrijven en hun medewerkers. De staatssecretaris ziet in de nationale en internationale praktijk van het zakendoen steeds meer bevlogen ondernemers en creatieve, inspirerende initiatieven, die bovendien zeker niet allemaal louter economisch zijn gemotiveerd. Zij herkent zich dan ook niet in het beeld dat in Nederland sprake zou zijn van een stagnatie op dit gebied. Maatschappelijk verantwoord ondernemen leeft volgens haar daadwerkelijk bij bedrijven en is het stadium van hype allang voorbij. Bedrijven hebben ingezien dat het meer kan opleveren dan strikt financiële kortetermijnvoordelen: beter gemotiveerde werknemers, loyale(re) klanten. De staatssecretaris ziet haar verantwoordelijkheid derhalve vooral in het aansporen, inspireren en informeren van bedrijven en burgers. Zij bestrijdt dat de fundamentele keuze van de regering voor vrijwilligheid in de praktijk in vrijblijvendheid verzandt.
Een voldoende transparantie van productieprocessen is inderdaad een noodzakelijke, maar uiteraard geen voldoende voorwaarde om maatschappelijk verantwoord ondernemen te bevorderen: zo zijn bedrijven die daar niets aan doen en daar ook rond voor uitkomen, bijzonder transparant en komen als zodanig boven in de transparantiebenchmark te staan. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn. Bedrijven die claimen dat zij maatschappelijk verantwoord ondernemen, moeten dit ook aan hun klanten inzichtelijk maken. Consumenten kunnen voorzien in hun behoefte aan informatie door bijvoorbeeld de informatie van MVO Nederland en van bedrijven zelf te raadplegen.
De aandeelhouders van beursgenoteerde ondernemingen dienen toe te zien op de mate waarin de beloningen van hun bestuurders adequaat zijn. Zoals bekend schrijft de code-Tabaksblat voor dat aandeelhouders en commissarissen samen de primaire verantwoordelijkheid voor het beloningsbeleid in het bedrijf dragen.
De staatssecretaris vindt ook dat de overheid met haar inkoop- en aanbestedingsbeleid van duurzame en maatschappelijk verantwoorde producten een voorbeeldfunctie heeft te vervullen. Als grote consument kan de overheid inderdaad een belangrijke impuls geven aan de marktpositie van maatschappelijk verantwoorde ondernemingen. Departementen zijn individueel verantwoordelijk voor hun inkoop- en aanbestedingsbeleid. In de praktijk maken zij vaak een bewuste keuze voor maatschappelijke verantwoorde ondernemingen die verband houden met hun beleidsterrein; zo gebruikt EZ voor honderd procent groene energie. Locale overheden volgen het PreDo-programma. De overheid probeert haar ambities op dit terrein incrementeel te realiseren: de huidige markt kan een honderd procent duurzame overheid immers nog niet aan en zo kan het aanbod stapsgewijs groeien met de vraag. Prijstechnische afwegingen spelen hierbij uiteraard een rol en aanbestedingen moeten hoe dan ook de Europese richtlijnen volgen. De staatssecretaris is bereid de mogelijkheden van toepassing van de OESO-richtlijnen bij het overheidsinkoop- en aanbestedingen beleid, met name bij internationaal opererende bedrijven, te onderzoeken. Zij zal de Kamer hierover vóór het komende zomerreces informeren. De duurzaamheid van de overheidsbedrijfsvoering komt overigens binnenkort aan de orde in een overleg tussen de Kamer en VROM.
De staatssecretaris zal MVO Nederland verzoeken om het "duty of care"-initiatief in het Verenigd Koninkrijk te bestuderen en het Nederlandse midden- en kleinbedrijf daarover voor te lichten. De Nederlandse regering bevordert ketentransparantie door de OESO-richtlijnen op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen voor investeringen ook te betrekken bij internationale handelstrajecten; daarmee loopt Nederland internationaal voorop. Ketentransparantie maakt verder deel uit van het programma van MVO Nederland Duurzaam ondernemen in internationaal perspectief. De staatssecretaris vindt ook dat Nederlandse bedrijven zich niet kunnen onttrekken aan hun verantwoordelijkheid voor de praktijken van hun toeleveranciers.
De Nederlandse overheid steunt de Consumentenbond bij de ontwikkeling van een MVO-index; de Consumentbond streeft ernaar om deze op korte termijn deel uit te laten maken van de helft van hun productentests. Gedachten over een meer fundamentele maatschappelijke discussie over het type bedrijfsleven in Nederland vindt de staatssecretaris interessant. Hoewel zij benadrukt dat er al vele initiatieven op het gebied van maatschappelijk verantwoord ondernemen in Nederland gaande zijn en zij een zekere overvoering van het Nederlandse bedrijfsleven wil voorkomen, zal zij de mogelijkheden tot structurering van die initiatieven aanpakken als dat nodig is. De staatssecretaris spant zich in om de wantoestanden in Birma/Myanmar meer op de nationale en internationale agenda te zetten; zo heeft zij het afgelopen jaar hiervoor aandacht gevraagd in de Nederlandse reisbureau branche. EZ zal met Buitenlandse Zaken overleggen over de oproep van het ILO. De Kamer zal hierover worden bericht.




De voorzitter heeft de volgende toezeggingen van de staatssecretaris genoteerd:
de Kamer ontvangt op korte termijn een brief over de rol van de OESO-richtlijnen bij het overheidsinkoopbeleid;
de Kamer ontvangt een notitie over de verhouding tussen "duty of care" en goed werkgeverschap en de betekenis daarvan voor maatschappelijk verantwoord ondernemen;
de Kamer ontvangt een notitie over de oproep van de ILO tot economische sancties tegen Birma/Myanmar.

De voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken,
Hofstra

De voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken,
De Haan

De voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
Schreijer-Pierik

De griffier van de vaste commissie voor Economische Zaken,
Tielens-Tripels







Tweede Kamer, vergaderjaar 2004-2005, 26 485, nr. 36



pagina VERANTWOORD ONDERNEMEN
   
begin document

Landelijke India Werkgroep - 16 augustus 2005