terug

BRIEF

van Amnesty International en de Landelijke India Werkgroep (d.d. 5 oktober 2000) gericht aan leden van de Vaste Commissie voor Economische Zaken, n.a.v. het Algemeen Overleg Maatschappelijk verantwoord ondernemen op 11 oktober 2000. Deze brief is een reactie op de brief (d.d. 29 juni 2000) van staatssecretaris Ybema van Economische Zaken aan de Tweede Kamer.


 



Aan de leden van de Vaste commissie voor Economische Zaken
Tweede Kamer der Staten-Generaal
Postbus 20018
2500 EA Den Haag



Datum
5 oktober 2000


Onderwerp
AO 11 oktober 2000 / Maatschappelijk verantwoord ondernemen



Geachte leden,

Graag willen ondergetekenden - in verband met het Algemeen Overleg dat daarover op 11 oktober a.s. plaats zal vinden met de vaste Commissie Economische Zaken - reageren op de brief over maatschappelijk verantwoord ondernemen die u op 29 juni van staatssecretaris Ybema heeft ontvangen. In dit verband wijzen wij u ook op onze brief van 28 januari jl. die eveneens ingaat op een aantal onderwerpen die ook nu op de agenda staan.

Naar een modelgedragscode
In zijn brief aan de Kamer gaat de staatssecretaris in op een vijftal beleidsinstrumenten om maatschappelijk verantwoord ondernemen in het buitenland te bevorderen. Steeds doet zich daarbij de vraag voor: op welke uitgangspunten en normen moeten de betreffende instrumenten zijn gebaseerd. Wat betreft 'het instrumentarium ter ondersteuning van Nederlandse bedrijven in het buitenland' is - terecht - het antwoord: internationaal aanvaarde normen. Echter, bij bedrijven waarin de overheid aandeelhouder is gebruikt de staatssecretaris zijn eigen 'checklist', terwijl bij verslaglegging wordt verwezen naar de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen.

Hoewel de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen beschouwd kunnen worden als de meest recente 'vertaling' voor bedrijven van internationaal aanvaarde normen, zijn deze niet als zodanig bruikbaar als criteria voor bovengenoemde instrumenten.
De meer principiële redenen daarvoor zijn dat de richtlijnen alleen door de OESO lidstaten zijn aangenomen en dat ze niet volledig zijn als 'vertaling' van internationaal aanvaarde mensen- en arbeidsrechten naar operationele standaarden voor bedrijven (zo ontbreekt bijvoorbeeld een verwijzing naar de ILO Conventie over de vaststelling van een 'leefbaar' minimumloon, hetgeen wel in steeds meer andere gedragscodes is te vinden).
Een belangrijke 'praktische' reden is dat het nadrukkelijk vrijwillige en niet-bindende karakter van de OESO Richtlijnen zich verzet tegen het gebruik ervan in relatie tot overheidsbeleid. Elke poging om ze te koppelen aan bijvoorbeeld subsidie-instrumenten en overheidsaankopen zal al snel worden gezien als poging om ze te 'juridiseren'.
Een oplossing voor dit probleem is om internationaal aanvaarde verdragen en conventies als uitgangspunt te nemen voor een op te stellen 'Nederlandse' (model)gedragscode voor het bedrijfsleven.

Het zou vanzelfsprekend de voorkeur genieten om internationaal tot bindende afspraken te komen over de normen waaraan het bedrijfsleven zich moet houden. Enkele aanzetten worden daartoe momenteel gegeven. Een belangrijke 'moreel-politieke' aanzet betreft de 'Global Compact for the New Century', waaraan VN Algemeen Secretaris Kofi Anan het internationale bedrijfsleven vraagt zich te committeren. Het betreft negen essentiŽle principes op het gebied van mensenrechten, arbeid en milieu (zie bijlage).
Ook in de 'Sub-Commission on the Promotion and Protection of Human Rights' van de Verenigde Naties wordt momenteel gewerkt aan een (bindende) internationale mensenrechtencode voor het bedrijfsleven. Verder houdt de ILO zich inmiddels intensief met gedragscodes voor het bedrijfsleven bezig. Helaas heeft de ILO nog niet het mandaat voor het ontwikkelen van standaarden op dit gebied.
Het is daarom van het grootste belang dat de Nederlandse regering zich binnen de VN zeer actief inzet voor bindende internationale regelgeving voor het bedrijfsleven die is gebaseerd op internationaal aanvaarde arbeids- en mensenrechtenstandaarden.

Zolang deze standaarden er nog niet zijn pleiten wij voor een 'Nederlandse' modelgedragscode voor het in het buitenland opererende bedrijfsleven, welke in samenspraak met de relevante internationale organisaties en Nederlandse maatschappelijke organisaties wordt opgesteld. Een dergelijke code is voorlopig onontbeerlijk als normstellend kader voor door de overheid te ontwikkelen beleidsinstrumenten ter bevordering van verantwoord ondernemen in het buitenland. Vanzelfsprekend verdient het aanbeveling om een dergelijke code waar mogelijk ook in Europees verband te bevorderen.

Consultatie van niet-gouvernementele organisaties
Maatschappelijke organisaties hebben een belangrijke rol gespeeld bij het maatschappelijk en politiek agenderen van het thema verantwoord ondernemen in het buitenland. Het consulteren van deze organisaties over het beleid van de overheid rond dit onderwerp blijkt echter in de praktijk een stuk minder eenvoudig dan de 'polder-ideologie' zou doen vermoeden.
Zo heeft tot nu toe heeft nog geen overleg plaats gevonden met niet-gouvernementele organisaties (NGO's) en vakbonden over de 'goede vorderingen' die volgens de staatssecretaris zijn gemaakt met betrekking tot de toetsingscriteria voor (economische) instrumenten gericht op ondersteuning van buitenlandse activiteiten van Nederlandse bedrijven.
Wat de NGO's betreft geldt het ontbreken van consultatie ook voor het belangrijke SER advies over verantwoord ondernemen dat momenteel wordt voorbereid.
Wij vragen de Kamer om kenbaar te maken dat ook zij groot belang hecht aan een dergelijke consultatie van en dialoog met vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties.

Toetsing economisch instrumentarium
Wat betreft de ontwikkeling van maatschappelijke toetsingscriteria voor het instrumentarium ter ondersteuning van Nederlandse bedrijven in het buitenland, stellen wij met waardering vast dat deze criteria zich niet alleen uitstrekken tot subsidies ter bevordering van investeringen, maar ook betrekking zullen hebben op het export-instrumentarium en samenwerking van bedrijven.
Verder ondersteunen wij, zoals hierboven uitvoerig is toegelicht, van harte het uitgangspunt dat de te ontwikkelen maatschappelijke toetsingscriteria gebaseerd moeten zijn op internationaal aanvaarde normen. Wij veronderstellen tenminste dat wordt gedoeld op in internationale conventies, verdragen en overeenkomsten vastgelegde mensenrechten, arbeidsnormen en milieunormen. Vanwege het ontbreken van consultatie hierover ontbreekt ons momenteel echter het zicht op de nadere uitwerking daarvan.

Bedrijven met de overheid als aandeelhouder
De staatssecretaris laat weten dat KPN momenteel een gedragscode opstelt voor zijn buitenlandse activiteiten en daarbij gebruik maakt van de checklist die de staatssecretaris in januari jl. aan de Kamer heeft toegezonden. Wat betreft de KLM wordt gewag gemaakt van de bestaande ISO 14001 certificering voor milieumanagement.
Aangezien de checklist niet meer is dan een nogal vrijblijvende aanbeveling aan bedrijven, is het de vraag wat de inzet van de staatssecretaris is bij het opstellen en uitvoeren van gedragscodes bij KLM en KPN. Geeft de staatssecretaris KPN en KLM de vrije hand in het selecteren van normen uit de checklist? Zo valt het op dat de staatssecretaris bij de KLM alleen de milieumanagement certificering noemt. Maar ook bij de KLM spelen arbeids- en mensenrechtenkwesties in het buitenland die een gedragscode rechtvaardigen.

Wij pleiten er voor dat de gedragscodes van KLM en KPN worden gebaseerd op de eerder besproken gedragscode, waarin bepalingen over gezondheid en veiligheid, de aard van de afgesloten arbeidscontracten en een leefbaar loon vanzelfsprekend niet mogen ontbreken. Verder moet ook hier worden uitgegaan van ketenverantwoordelijkheid in het geval van directe controle over de toeleveranciers en mag de overheid van KLM en KPN verwachten dat een dergelijke gedragscode niet compleet is zonder management systeem, verslaglegging en onafhankelijke controle.

Overheidsaanschaffingen
Met betrekking tot overheidsaanschaffingen is de informatie over de opstelling van de Europese Commissie niet duidelijk. Met name de zin 'Naar verluidt stelt de Commissie zich op het standpunt dat het stellen van milieueisen aan producten op zichzelf gerechtvaardigd is, doch dat het weren van producten vanwege de wijze waarop ze worden vervaardigd niet verenigbaar is met het communautaire recht' roept vragen op en vraagt - zeker gezien het belang van de zaak - om opheldering door de staatssecretaris.
Mogen we uit de betreffende passage opmaken dat de overheid geen producten aan de landsgrenzen mag weigeren die niet aan bepaalde milieueisen (en vermoedelijk ook sociale eisen) voldoen, maar dat de overheid in haar eigen inkoopbeleid wel sociale en milieu-criteria mag hanteren zolang deze niet generiek discrimineren op herkomst naar land, bedrijf etc?
Indien deze uitleg juist is dan is een maatschappelijk verantwoord aanschafbeleid van de overheid mogelijk en zou snel gewerkt moeten worden aan het opstellen en uitvoeren van een dergelijk beleid. Daarvan zou overigens een belangrijke voorbeeldwerking uitgaan naar bijvoorbeeld gemeenten en andere organisaties - bijvoorbeeld sportorganisaties - die op aanzienlijke schaal producten inkopen en daarbij sociale en milieu-criteria willen hanteren.

Verslaglegging en verantwoording door bedrijven
In zijn passage over verslaglegging door bedrijven laat staatssecretaris Ybema weten dat de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen 'alle relevante elementen' bevatten 'voor het verschaffen van duidelijke informatie aan de samenleving als geheel'. De staatssecretaris doelt ongetwijfeld - gezien de inhoud van het hoofdstuk 'Disclosure' - op informatie over:

  • het sociale, ethische en milieubeleid en de desbetreffende gedragscodes;
  • de werkingssfeer van dit beleid, de gehanteerde management systemen en de resultaten daarvan;
  • de relatie met werknemers en andere 'stakeholders'.
Het is echter opvallend - en zeer teleurstellend - dat ondernemingen alleen worden 'aangemoedigd' om deze informatie te verstrekken, terwijl bedrijven 'informatie openbaar moeten maken' over bijvoorbeeld financiële resultaten, het doel en structuur van de onderneming, belangrijke materiële risico-factoren.
Verslaglegging door bedrijven over de maatschappelijke effecten van hun buitenlandse activiteiten krijgt echter alleen betekenis als bedrijven daarover daadwerkelijk gaan rapporteren. Het vrijwillige karakter van de OESO Richtlijnen in combinatie met het louter aanmoedigen van bedrijven om over hun maatschappelijk gedrag te rapporteren, maakt de 'gezamenlijke conclusie' van de staatssecretaris en VNO-NCW dat de Richtlijnen voldoende zijn voor adequate verslaglegging dan ook weinig geloofwaardig.

Nu is gebleken dat zowel VNO-NCW als de staatssecretaris afzien van een convenant over verslaglegging, is een parlementair initiatief om te komen tot geloofwaardige verslaglegging van bedrijven over hun maatschappelijk opereren in het buitenland des te noodzakelijker.
Wij pleiten voor een periodiek verslag van alle Nederlandse ondernemingen die in het buitenland opereren. Een dergelijk verslag moet gebaseerd zijn op de modelgedragscode en zich uitstrekken tot de verantwoordelijkheid voor door het bedrijf gecontroleerde 'uitbesteding' en andere leveranties waarop het bedrijf aanzienlijke invloed kan uitoefenen.
Een maatschappelijk bedrijfsverslag zou ook moeten bevatten:

  • informatie over alle landen waar een bedrijf economisch actief is, hetzij via investeringen, handel, joint-ventures, licentie-overeenkomsten hetzij via andere economische samenwerkingsverbanden;
  • een analyse hoe de modelgedragscode wordt gerealiseerd en welke (mogelijke) problemen zich daarbij voordoen;
  • informatie over beleid en aanpak om bestaande problemen aan te pakken, hoe daarbij de werknemers en andere 'stakeholders' (inclusief lokale organisaties) worden betrokken en over de resultaten die worden geboekt;
  • informatie over de aspecten van de modelgedragscode die extern worden geverifieerd en de maatschappelijke organisaties en instanties die daarbij zijn betrokken.
Aangezien alle lidstaten van de ILO gebonden zijn uitvoering te geven aan de vier fundamentele arbeidsnormen, ook in geval het land de betreffende Conventies niet heeft ondertekend, vragen wij de Kamer om - gekoppeld aan de verslaglegging - bedrijven minimaal te verplichten tot een vorm van onafhankelijke verificatie van de naleving van de fundamentele arbeidsnormen en/of van het plan van aanpak om de nog niet (geheel) geïmplementeerde normen daadwerkelijk te realiseren. Voor deze verplichting ingaat moet de overheid deze fundamentele arbeidsnormen, een essentieel onderdeel van de eerder besproken 'modelgedragscode', eerst nader voor ondernemingen concretiseren.
Een andere vorm van verantwoording betreft het openbaar maken van de verslaglegging door bedrijven. Dit kan worden gezien als concretisering van het 'openbare register' waarover eerder door de Kamer is gesproken. Het register zou - in de vorm van een website - moeten worden beheerd door een informatie- en beleidscentrum voor maatschappelijk verantwoord ondernemen dat, mede op basis van deze verslaglegging, ook andere activiteiten onderneemt ter bevordering van maatschappelijk verantwoord ondernemen (zie verder hieronder).

De OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen
De Nederland regering staat nu voor de vraag hoe uitvoering van de OESO Richtlijnen voor Multinationale Ondernemingen maximaal bevorderd kan worden.
Het 'Nationaal Contactpunt' is daarvoor het door de OESO aangewezen instrument dat - na de afgelopen jaren een min of meer slapend bestaan te hebben geleid - nieuw leven moet worden ingeblazen. Wij pleiten voor een zo actief mogelijk Nationaal Contactpunt dat niet alleen klachten over bedrijven afwacht, maar ook samen met bedrijven en maatschappelijke organisaties een pro-actief beleid voert ter bevordering van verantwoord opereren in het buitenland. Niet-gouvernementele organisaties, vakbonden en werkgevers zouden bijvoorbeeld via een adviesraad moeten worden betrokken bij het werk van het NCP. Een dergelijke betrokkenheid is essentieel voor het realiseren van de 'kerncriteria' van het NCP: zichtbaarheid, toegankelijkheid, transparantie en verantwoording.

Een manier om het (pro)actieve karakter van het NCP te bevorderen is om het aan te vullen met een informatie- en beleidscentrum voor maatschappelijk verantwoord ondernemen dat onafhankelijke informatie verschaft aan ondernemingen, NGO's, bedrijven, maatschappelijke organisaties en regeringen in ontwikkelingslanden alsmede aan consumenten in Nederland. In het bestuur van een dergelijk Centrum zouden vertegenwoordigers van vakbonden, werkgevers, NGO's en de overheid zitting moeten hebben. Een uitvoerige beschrijving van de mogelijke functies en opzet van zo'n Centrum is te vinden in het voor het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid door bureau CREM opgestelde rapport 'Social labelling and codes of conduct: a potential role for the Dutch government'.

Wij pleiten er voor dat een dergelijk Centrum naast het verstrekken van informatie, ook een actieve ondersteunende en initiërende rol krijgt en daartoe onder meer:

  • een website beheert waarop onder meer de maatschappelijke verslaglegging van Nederlandse bedrijven is te vinden (zie boven);
  • deze verslaglegging analyseert en gemeenschappelijke knelpunten signaleert;
  • in samenwerking met bedrijven, maatschappelijke organisaties en wetenschappelijke instellingen onderzoek doet en proefprojecten onderneemt, alsmede aan de resultaten daarvan bekendheid geeft en toepassing van de opgedane kennis bevordert;
  • waar gewenst ondersteuning biedt aan (de ontwikkeling van) onafhankelijk gecontroleerde keurmerken en gedragscodes en de onderlinge samenwerking op dit gebied;
  • onderzoek doet naar op specifieke bedrijfssectoren - inclusief hun uitbestedingsketen - toegesneden systemen voor externe verificatie en de uitvoering daarvan;
  • het ontwikkelen van criteria voor adequate externe controle en verificatie en accreditatie van controle-instanties.
Een vergelijkbare instantie bestaat al in Engeland: het Ethical Trading Initiative. Nederland zou kunnen leren van de daar inmiddels opgedane ervaring.

Wij zien uw reactie op onze voorstellen met veel belangstelling tegemoet.

Met vriendelijke groet,


Gemma Crijns (Amnesty International) en
Gerard Oonk (Landelijke India Werkgroep)

Mede namens:

  • Fair Trade Organisatie
  • Humanistisch Overleg Mensenrechten
  • Landelijke Vereniging van Wereldwinkels
  • Max Havelaar
  • Novib
  • Pax Christi Nederland
  • Schone Kleren Overleg
  • Stichting Onderzoek Multinationale Ondernemingen (SOMO)
  • Unicef Nederland
  • Zuid-Noord Federatie



Afdeling Nederland

Keizersgracht 620
Postbus 1968
1000 BZ Amsterdam

T  020 626 44 36
F  020 624 08 89
E  amnesty@amnesty.nl
I   www.amnesty.nl

Postbank 454 000



Amnesty International is een onafhankelijke wereldwijde beweging die werkt voor de vrijlating van gewetensgevangenen, eerlijke processen binnen redelijke termijnen voor alle politieke gevangenen, afschaffing van marteling en van de doodstraf en die zich verzet tegen buitengerechtelijke executie en 'verdwijning'. Amnesty International opereert onafhankelijk van enige overheid, politieke of religieuze stroming en wordt door vrijwillige bijdragen gefinancierd. Amnesty International heeft raadgevende bevoegdheid bij onder meer de Verenigde Naties.




MAATSCHAPPELIJK VERANTWOORD ONDERNEMEN

begin document

Landelijke India Werkgroep - 9 oktober 2000